De opgang

De nieuwe roman van de auteur van Oorlog en terpentijn

Gebonden:
24,99
De opgang
De opgang
De opgang

Synopsis

Samenvatting

In de zomer van 1979 trok een huis in het Gentse Patershol de aandacht van Stefan Hertmans. De blauweregen hing bestoft neer, maar de geur trof hem diep en bracht hem terug naar zijn kinderjaren. Hij kocht het pand in een opwelling. Verbijsterend was de ontdekking dat de vroegere bewoner een ss’er was geweest. Pas nadat Hertmans het huis twintig jaar later had verkocht ging hij op zoek naar wat er zich tijdens de oorlog had afgespeeld. ‘Het is onbegrijpelijk,’ schrijft hij, ‘dat alles wat ik toen al had kunnen weten of tenminste toch vermoeden, zo gedachteloos aan mij voorbij had kunnen gaan.’
Langzaam komt Willem Verhulst in beeld, de man die hij wil leren begrijpen, alsook zijn Nederlandse, pacifistische echtgenote Mientje en hun kinderen, van wie de oudste zoon Adriaan een vooraanstaand Vlaams intellectueel zou worden. Hertmans spreekt met nabestaanden, raadpleegt archieven, vindt intieme documenten. In zijn herinnering loopt hij weer door alle kamers die hij zo lang heeft bewoond. In De opgang komt de lezer huiveringwekkend dicht bij een politiek drama, dat ook een huwelijksdrama was. Opnieuw blijkt Hertmans verbonden met een verhaal dat aan belangrijke historische gebeurtenissen raakt en opnieuw brengt het zijn verbeelding en pen op briljante wijze in beweging.

Specificaties

ISBN: 9789403101316
NUR: 301
Type: Gebonden
Auteur(s): Stefan Hertmans
Prijs: 24,99
Aantal pagina's: 440
Uitgever: De Bezige Bij
Verschijningsdatum: 01-10-2020

Specificaties

ISBN: 9789403101613
NUR: 301
Type: E-book
Auteur(s): Stefan Hertmans
Prijs: 13,99
Aantal pagina's: 440
Uitgever: De Bezige Bij
Verschijningsdatum: 22-09-2020

Specificaties

ISBN: 9789403119618
NUR: 301
Type: Luisterboek
Auteur(s): Stefan Hertmans
Prijs: 14,99
Aantal pagina's: 448
Uitgever: De Bezige Bij
Verschijningsdatum: 08-10-2020

Leesfragment

Het was in het eerste jaar van het nieuwe millennium dat ik een boek in handen kreeg waaruit ik begreep dat ik twintig jaar in het huis van een voormalige ss-man had gewoond. Niet dat ik geen signalen had gekregen: zelfs de notaris had me, op de dag dat ik het huis met hem bezocht, terloops op de vorige bewoners gewezen; ik had er toen weinig aandacht voor. Misschien verdrong ik het ook, doordrenkt als ik jarenlang was geweest van de pijnlijke gedichten van Paul Celan, de getuigenissen van Primo Levi, de talloze boeken en documentaires die je sprakeloos achterlieten, de onmogelijkheid van een hele generatie om het ondenkbare te beschrijven. Nu zag ik mijn intieme herinneringen doordrongen raken van een werkelijkheid die ik me amper kon voorstellen, maar die ik ook niet meer kon wegduwen. Het was alsof er schimmen opdoemden in de kamers die ik zo goed had gekend; ik wilde ze vragen stellen, maar ze liepen dwars door me heen. Niets stond me zozeer tegen dan schrijven over het soort mens dat nu als een spook door mijn eigen leven begon te banjeren. Ik zag de dag voor me waarop ik het huis voor het eerst had opgemerkt. Dat moet in de late zomer van 1979 zijn geweest. Ik liep door een stoffig stadsparkje waaraan een rij oude huizen paalde; de achtertuintjes hadden een hek waardoor je naar binnen kon kijken. Om de roestige spijlen van één ervan slingerde zich een blauweregen met dikke, bijna zwarte takken. Enkele late bloemtrossen hingen bestoft neer, maar de geur trof me diep – hij bracht me terug naar de verwilderde tuin van mijn kinderjaren; ik ging nieuwsgierig door het hek staan kijken. Ik zag een verwaarloosd stadstuintje waar een slanke esdoorn opschoot te midden van ondefinieerbare rommel, een kolenhok met een restje hakhout onder een laag zwart stof, een vijftal meter verderop het gebroken raam van het vervallen achterhuis, ernaast een veranda met een hoog boograam dat uitzicht bood op de verre voorzijde van het huis. Ik keek dwars door de donkere, lege kamers. Het licht aan de voorzijde schemerde vaag en veraf.

Er ging een vreemde opwinding door me heen; ik liep het park uit, het blokje om en kwam in een somber straatje van een oude wijk terecht. Het bleek om een groot burgerhuis te gaan met een pokdalige gevel, waarin het vocht zich decennialang een weg had gevreten. Het pand met zijn hoge ramen en afgebladderde voordeur had betere tijden gekend; het stond duidelijk al een aantal jaren leeg. Aan een van de ramen hing een koopbrief die gerimpeld was door condens. Het begon te miezeren zoals het alleen in oude steden miezeren kan; de koperen klep van de brievenbus klapperde even mistroostig in een windvlaag.

De wijk heet het Patershol. Hij werd genoemd naar de smalle toegang tot het middeleeuwse klooster via een stadsgracht, waarlangs de paters met bootjes hun etenswaren en, naar de volksmond beweert, de hoeren naar binnen smokkelden. De gronden waren ooit eigendom van de Graven van Vlaanderen geweest; het oude stadsdeel grenst aan een twaalfde-eeuwse burcht en was eeuwenlang de woonplaats van patriciërs en gegoede burgers. Met de opkomst van het proletariaat in de negentiende eeuw werden vele van de voorname panden vervangen door arbeidershuisjes. Er kwam armoede en stilaan kreeg de wijk een slechte reputatie. De smalle stegen en beluiken raakten in verval, tot eind van de jaren zestig, met de studentenrevolte, de artistieke bohème er zich ging vestigen. Het huis waarnaar ik stond te kijken bevond zich aan de noordoostelijke rand van de wijk, in een straatje genaamd Drongenhof, niet ver van de plek waar de Leie traag en donker langs de oude, vochtige huizen stroomt.

Gerelateerde artikelen