Nieuwe gedichten en tekeningen van Lucebert

Na zeventig jaar is een nog ongepubliceerde dichtbundel van Lucebert teruggevonden. De bundel vaarwel. achtergelaten gedichten bevat nieuwe gedichten en tekeningen van de Keizer der Vijftigers.

Na een stormachtige driehoeksverhouding met Bert Schierbeek en Frieda Koch, verliet Lucebert in 1952 halsoverkop het huis waar hij tot die tijd met Frieda had gewoond. Hij liet daarbij veel dicht- en tekenwerk achter. Dat werk raakte in de vergetelheid en is nu pas herontdekt.

Lucebert (pseudoniem van Bertus Swaanswijk, 1924-1994) wordt beschouwd als een van de grootste Nederlandstalige dichters van de twintigste eeuw. Hij was de Keizer van de Vijftigers, de beweging waartoe onder anderen Gerrit Kouwenaar, Remco Campert en Hugo Claus behoorden.

vaarwel. achtergelaten gedichten bevat gedichten die Lucebert tussen 1949 en 1952 schreef en toont de jonge dichter van zijn meest lyrische, verliefde en verlangende kant. Ook is er de speelse maar bloedernstige taalbarok die naar de hemel reikt én langs de afgrond scheert. Puntgaaf als de gedichten zijn passen ze prachtig in Luceberts vroege oeuvre. Deze uitgave, verrijkt met tekeningen uit dezelfde periode en facsimile’s van de gedichten, is een grote literaire gebeurtenis. Deze uitgave wordt bezorgd door Graa Boomsma (1953), schrijver en literair criticus voor De Groene Amsterdammer.

Op deze pagina

Over het boek

Vaarwel

Vaarwel

Lucebert

Begin jaren vijftig woonde Lucebert in bij zijn vriend en mede- Vijftiger Bert Schierbeek en diens vrouw, Frieda Koch. In de woning aan de Amsterdamse Van Eeghenlaan raakte Lucebert in de ban van Frieda. Er ontstond een ingewikkelde driehoeksverhouding, en Schierbeek besloot zijn eigen huis te verlaten; Frieda en Lucebert bleven samen achter. In 1952 vond Frieda een nieuwe liefde. Toen die bij haar introk, moest de zevenentwintigjarige Lucebert halsoverkop verhuizen, waarbij hij veel dicht- en tekenwerk achterliet. Dat werk raakte in de vergetelheid en is pas nu herontdekt. vaarwel. achtergelaten gedichten bevat gedichten die Lucebert tussen 1949 en 1952 schreef en toont de jonge dichter van zijn meest lyrische, verliefde en verlangende kant. Ook is er de speelse maar bloedernstige taalbarok die naar de hemel reikt én langs de afgrond scheert. Puntgaaf als de gedichten zijn passen ze prachtig in Luceberts vroege oeuvre. Deze uitgave, verrijkt met tekeningen uit dezelfde periode en facsimile’s van de gedichten, is een grote literaire gebeurtenis.