Een wonderbaarlijk politicus

Hans van Mierlo, 1931-2010

Monumentale biografie van Hans van Mierlo

Gebonden:
39,99

Synopsis

Samenvatting

Hans van Mierlo – de onzekere jongen uit een Brabantse patriciërsfamilie – kwam laat tot bloei. Pas toen hij na een moeizame rechtenstudie in het katholieke Nijmegen op 29-jarige leeftijd in Amsterdam ging wonen, vond hij, meevarend op de golf van veranderingen in de jaren zestig, zijn plek: eerst als journalist en vanaf 1966 als partijleider van D66. Van Mierlo stond aan de wieg van twee van de bijzonderste regeringen van de twintigste eeuw: het progressieve kabinet-Den Uyl (1973-1977) en de paarse kabinetten-Kok (1994-2002). De belofte van een nieuw bestel wist hij nooit in te lossen. Staatkundige hervormingen kwamen niet van de grond. Het ideaal van één progressieve volkspartij werd een desillusie. Maar al die jaren bleef de ongedisciplineerde libertijn met zijn intellectuele uitstraling de politieke tolk van Nederlanders die streefden naar individuele vrijheid in een sociale rechtsstaat. Journalist en historicus Hubert Smeets, die als eerste Van Mierlo’s privéarchieven mocht inzien, laat zien hoe politiek voor de twijfelaar Van Mierlo een intellectuele levenshouding was, geen kille machtsstrijd – al was hij niet vies van de macht. Een wonderbaarlijk politicus is het portret van een zoeker en een tobber, van een politicus die geen politicus was, maar Nederland wel vormgaf.

Specificaties

ISBN: 9789403114217
NUR: 681
Type: Gebonden
Auteur(s): Hubert Smeets
Prijs: 39,99
Aantal pagina's: 608
Uitgever: De Bezige Bij
Verschijningsdatum: 15-01-2021

Specificaties

ISBN: 9789403114712
NUR: 681
Type: E-book
Auteur(s): Hubert Smeets
Prijs: 13,99
Aantal pagina's: 608
Uitgever: De Bezige Bij
Verschijningsdatum: 15-01-2021

Leesfragment

Voorwoord

Een half mensenleven op de politieke bühne

Ineens dook Hans van Mierlo op. Vanuit het niets verscheen hij op het toneel en bleef daar vervolgens bijna vier decennia. Een half leven lang drukte hij een stempel op de politiek in Nederland. Hij was de stem van vrijzinnige burgers die genoeg hadden van de bevoogding van het individu en verlangden naar een democratischer rechtsstaat. Hij was het gezicht van de partij D66,1 die hij in 1966 had helpen oprichten, bijna twintig jaar zou leiden en nog langer zou domineren. Van Mierlo was het gezicht van een wonderbaarlijk tijdperk, van een ‘gouden terts’2 in de geschiedenis van de Nederlandse democratie.
Hans van Mierlo was zelf ook uniek.
Allereerst zijn anciënniteit. Hij was maar liefst negentien jaar partijleider. Sinds de invoering van het algemeen kiesrecht (voor mannen in 1917, voor vrouwen in 1919) kunnen alleen Hendrik Colijn, Willem Drees, Ruud Lubbers en Joop den Uyl qua dienstjaren met hem wedijveren. Colijn was vanaf 1920 bijna een kwarteeuw voorman van de Anti-Revolutionaire Partij (arp). Drees voerde de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (sdap) en de Partij van de Arbeid (PvdA) tussen 1939 en 1958 krap twee decennia aan. Den Uyl leidde de PvdA tussen 1967 en 1986 ook zo’n twintig jaar. Ruud Lubbers, met twaalf regeringsjaren de langst zittende premier in de geschiedenis, was circa zestien jaar de bepalende stem in het Christen-Democratisch Appèl (cda). Alleen de stalinist Paul de Groot was als secretaris, voorzitter en erelid tussen 1938 en 1977 langer de baas in de Communistische Partij Nederland (cpn).
Er zijn ook minder cijfermatige argumenten om te staven dat Van Mierlo niet een dertiende politicus uit het dozijn was. Anders dan andere partijleiders, die stuk voor stuk een kortere of langere incubatietijd in de lagere regionen van de politiek doormaakten voordat ze naar het nationale niveau doordrongen, stond Van Mierlo vanaf dag één onvoorbereid op het hoofdpodium. Colijn was begonnen als hoofdredacteur, partijvoorzitter en minister. Drees en Den Uyl hadden eerst geoefend als raadslid en wethouder. En Lubbers mocht als junior minister proefdraaien. Van Mierlo kon nergens op terugvallen. Hij moest leiding geven aan een partij die niet was geworteld in de Nederlandse politieke cultuur, maar die, in weerwil van het beschaafde imago van haar leden, wel vergaande, om niet te zeggen revolutionaire plannen had met het Nederlandse bestel.
Qua presentatie was Van Mierlo eveneens uitzonderlijk. Dat hij zijn persoonlijkheid inzette, was op zichzelf niet uniek. Abraham Kuyper (arp) en Pieter Jelles Troelstra (sdap) draaiden daar hun hand evenmin voor om. Nieuw was wel dat hij van zijn hart geen moordkuil maakte. Hij had niet de zelfingenomenheid van het grote gelijk. Onzekerheid was in zijn ogen geen handicap, maar een pre. Dat was Nederland niet gewend.