Boekpresentatie ‘Sirius’ bij SPUI25 op 1 december

Op 1 december was de boekpresentatie van Allard Schröder zijn nieuwste roman Sirius bij SPUI25. Na een inleiding van Soesja Schijven vond er een tweegesprek plaats tussen Allard Schröder en Diederik Burgersdijk. Zij behandelden thema’s uit deze sfeervolle en magische roman, en over de plek die dit werk inneemt in het omvangrijke oeuvre van Schröder. De presentatie is hier terug te kijken.

Allard Schröder is auteur, essayist en dichter. Hij kreeg bekendheid met zijn roman Grover (ECI Literatuurprijs, shortlist AKO Literatuurprijs). Zijn grote doorbraak kwam met de roman De hydrograaf, die werd genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs en bekroond met de AKO Literatuurprijs, en waarvan 50.000 exemplaren zijn  verkocht. De roman De dode arm haalde de shortlist van de AKO Literatuurprijs. In 2016 verscheen Schröders laatste roman Sebastiaans neus. Zijn meest recente boek Sirius verscheen eind november 2020.

Diederik Burgersdijk
 is moderator bij SPUI25 en doceert Latijn en Oude geschiedenis aan University College Utrecht en Cartesius Lyceum Amsterdam. Hij schreef diverse boeken bij Athenaeum, Polak en Van Gennep, waaronder recentelijk Cornelius Nepos Macht en moraal.

Hieronder is de tekst van Diederik Burgersdijk terug te lezen:

Allard Schröder is romancier, dichter, essayist, vertaler, recensent, schrijver van hoorspelen, verhalen, novellen, en scenario’s. Zijn schrijversleven is te verdelen in de periode voor de roman Raaf (1995), waarvan de werken nauwelijks meer te verkrijgen zijn, en die van daarna, waarin hij een groeiende schrijversroem genoot die een tussentijdse bekroning kreeg met de AKO-prijs voor de roman De Hydrograaf (2002). De tweede periode is zijn tijd bij de Bezige Bij – dat maakt de scheiding tussen wat eerder en later kwam absoluut. Maar bovenal is Schröder een oeuvrebouwer geworden, met een stapel van inmiddels zo’n veertien romans (het eerdere werk meegerekend), waarvan er vier een opvallend sterke samenhang vertonen. Er zijn de reguliere romans, en dikke romans, van het laatste type is Sirius de zesde. Daar gaan we het even over hebben.

            Eerst het verhaal. In een proloog (‘Wat vooraf gaat’) wordt, in 1984, een zesjarige jongen in zijn droom bezocht door een figuur die zegt zijn latere ik te zijn. Deel 1 (gesitueerd in 1999) begint met het eerste hoofdstuk (tot p. 105) waarin de belangrijkste personen van het verhaal worden geïntroduceerd, van wie Etzel Aksma de spil is.

            Het dorp E*** waarin hij woont krijgt twee nieuwe bewoners die een oude directeurswoning betrekken, en die broer en zus blijken te zijn, Gundula en Balder Ingelant. De zus is een rijzige elegante gestalte die buitenshuis steevast door haar twee honden wordt vergezeld. Balder is een geschiedenisstudent aan de universiteit, die zich altijd zelfverzekerd in regenjas in het dorp vertoond. Tussen Balder Ingelant en Etzel Aksma ontwikkelt zich een verborgen jalouzie, en naar Gundula koestert Etzel een heimelijk verlangen, dat belemmerd wordt door een onoverkoombaar ontzag.

            Etzel zet in een oude lijnwerkplaats, die nog allerlei spoorlijnen en treinwagons om zich heen herbergt, een discotheek op. Dit wordt een ontmoetingsplaats voor de jeugd rond E*** en de naburige grotere stad H***. Hierin worden veel hallucinerende trips genomen, die een centrale rol in het verhaal gaan vervullen, omdat deze de personages naar ongeziene verten meenemen. Maar niet alleen de trips. Ook het zogenoemde Elzenbos leidt tot hallucinerende vergezichten, waarin lang vergeten figuren de nog levende soortgenoten adviseren, bespelen en verwarren. De trips leiden uiteindelijk tot de dood van Ingelant, die in een lege vuilnistrein wordt gegooid en op een vuilnisbelt de dood vindt. Of toch niet? Na omzwervingen komt hij na een bezoek aan een oude wijze kater terecht bij een vreemd wezen. (p.205)

Hij dacht na. ‘Wie ben je eigenlijk?’ vroeg hij uiteindelijk. Nu was de ander stil. ‘Een mensenvraag,’ kwam het peinzende antwoord en het gas verkleurde weer. ‘Ze hebben meteen ook maar het antwoord daarop verzonnen, zo zijn ze. Als je hen mag geloven zijn wij Ymir, van ons tweelinglichaam is in den beginne de aarde gemaakt, het enige dat ons is gelaten is onze stem en onze geest, die waren te vluchtig om er iets van te maken. Omdat we zijn wie we zijn, kunnen we je een schim van het leven teruggeven, als je dat tenminste wilt.’ ‘Ja, dat wil ik. Ik was er nog niet klaar mee.’ ‘Haat je de mensen?’
‘Nee.’ ‘Veracht je ze?’
‘Nee.’
‘Houd je van ze?’
‘Ja. Omdat ik er zelf een ben.’
‘Wij benijden je. Geef ons dat vermogen om lief te hebben. Het zal onze eeuwige, gedeelde eenzaamheid misschien draaglijk maken. In ruil geven we je iets terug dat op een leven lijkt. Maar het is niet voor altijd, op een dag vragen we het terug.’ En zo geschiedde en de aarde opende zich om Balder Ingelant terug te geven aan de wereld, al was zijn gestalte die van een dode.

En zo komen de doden in de wereld, en eindigt deel I.

Het is een goede gewoonte bij bijeenkomsten als deze niets over de afloop te verraden. Dat zal ik ook niet doen, al is dat bij een boek van Schröder vaak helemaal niet zo’n probleem. Het boek begint ergens, en eindigt in het niets, het neemt als het ware een hap uit de tijd, niet heel anders dan de grote epici uit verre verledens dat doen.

            En met de genoemde elementen hebben we al genoeg te analyseren voor nu. Allereerst de titel: Sirius. De discotheek die even als snelkookpan van de tijd fungeerde, en van waaruit de verwikkeling zich ontspint. Verboden terrein voor Ingelant, hij is ervoor gewaarschuwd, en we begrijpen inmiddels waarom.

            De naam Sirius moet nader onderzocht. Deze is ons bekend als de Hondsster, die in juli en augustus aan de hemel te zien is en gelijk met de zon opkomt. In de antieke kennis verhevigt de ster de werking van de zon als woedende vuurmassa – het is de heetste periode in het jaar. Sirius maakt deel uit van het sterrenbeeld Grote Hond. De ster is genoemd naar de favoriete jachthond van de jager Orion, op wie de altijd maagdelijke Artemis, de jacht- en maangodin bij uitzondering verliefd was. Dat leidde tot jaloezie van haar tweelingbroer Apollo, de god van zon, harmonie en schoonheid. Hij zorgde ervoor dat Artemis werd misleid door een valse beschuldiging aan zijn adres, en zij schoot hem neer.

            Voor wie wil zijn Balder en Gundula de Apollo en Artemis van het verhaal, op zijn minst als broer en zus, maar ook nog met bovennatuurlijke krachten. Balder is een brutaal type, dat in het tweede deel voortdurend de voorzichtig groeiende liefde tussen Gundula en Etzel probeert te dwarsbomen, in zijn dode gedaante. Gundula met haar honden, en

significante namen als Sirius, of café De Drie sterren (in deze context mooi naar Orion verwijzend, hoewel het café ook al in Raaf voorkwam) geven de lezer de sleutels tot het mysterie van de roman.

            Maar nooit helemaal. Talloze andere verwijzingen naar de antieke, Germaanse en Noordse (bijvoorbeeld Ymir) mythologie, maar ook naar het christendom maken de roman gelaagd, zoals eerdere werken van Schröder dat deden. Maar ook zonder al die verbanden staat het verhaal. De verbanden en lagen worden immers door de lezer zelf gemaakt, en altijd als je een lijn denkt te ontdekken, loopt het ergens vast. Het was immers Balder (Apollo) die sterft, niet zijn rivaal Etzel. Maar aan de andere kant, de grens tussen dood en leven hoeft niet zo scherp worden gesteld in het oeuvre van Schröder.

            Mogen we de dodentrip van Balder beschouwen als een herschrijving van Faust II? En het Elzenbos als een verwijzing naar de Erlkönig, ‘in seinen Armen das Kind war Tod’? De trollen, dwergen en waangestalten als een Wagneriaanse wereld waarin de grens tussen leven en dood, tussen goden en mensen en hemel en aarde min of meer is opgeheven, of in ieder geval flinterdun? Waarin de tijd tot een oneindig minimum wordt samengebald of juist tot kosmische proporties wordt opgerekt? We weten het niet. Ook komt er een bijzonder interessante christologie in voor, waarin Christus in de woorden van Ingelant wordt voorgesteld als een zwakkeling, p.46.

‘…Hoe dan ook, Jezus van Nazareth was niet uit het goede hout gesneden, als uitverkorene was hij een mislukking. Hij was een lam waar hij een leeuw had moeten zijn. Zijn waarheid had tanden moeten hebben. Dat had die niet.Toen God vond dat hij een uitverkorene moest scheppen, heeft hij zich uitgeput, zich geheel uitgewrongen, hij is totaal in zijn schepping overgegaan en weer kind geworden.Toen hij merkte dat het niets werd, heeft hij zijn schepping schielijk in de steek gelaten, een ontredderd man als een lege huls aan zijn lot overlatend. Wij noemen dat verraad. Enfin, sindsdien hebben we niets meer van het zogenaamde opperwezen vernomen. God is een mislukkeling en een lafaard.’

Sterk zijn, vader en zoon, nog twee van die thema’s uit Schröders werk. En in deel twee, dat is gesitueerd in het jaar 2020, komen twee oude bekenden uit het eerdere werk terug: Abel Raaf, wiens huis verkocht is (p.214), en Veit Mordeck, de Nemesis van Raaf, die niet alleen de pillendealer van Etzel was, maar ook de minnaar van Gundula. Veit was de tegenhanger van Raaf zoals de antieke held Heracles dat was voor Eurystheus, en Harry Potter zich verhoudt tot Voldemort – de tegelijk geboren tegenvoeter die het beter deed en parasiteerde op zijn zwakkere evenbeeld.

            Weerbeschrijvingen, meteorologische en kosmografische motieven, het dubbelgangerthema, het schaduwkind, het rondspoken van zombies, het opstaan uit de dood, ‘Ik ben die ik ben’, we zijn weer helemaal terug bij de oude Schröder die is ingezet met de romans Raaf (1995), Grover (1999) en Favonius (2005). Betoverende, mystificerende, beklemmende, raadselachtige, maar toch ook volkomen heldere romans, zo helder als het water van een bergbeek dat zich van de hoge toppen naar de stille poelen en dode armen in het dal naar beneden stort. Het goede nieuws is: de oude Schröder is hier, levend en wel, en hij gaat voorlezen uit eigen werk.