Introductie

Het verdriet van anderen

Het verdriet van anderen

Philip Huff

In de herfst van 2012 lag Philip Huff een maand in het ziekenhuis, voor een operatie waarvan onzeker was of hij die zou overleven. Na zijn ontslag vertrok hij voor een reis door Australië en Nieuw-Zeeland. Onderweg las en herlas hij voor hem belangrijke boeken. Dat resulteerde in dit boek over zijn tijd in het...Lees meer

Over dit boek

Aantal pagina's224
UitvoeringPaperback

Philip Huff (1984) studeerde filosofie en geschiedenis in Amsterdam. Tijdens zijn studententijd reed hij Martin Bril rond door het land. Hij publiceerde verhalen in onder andere De Gids, Hollands Maandblad en Hollands Diep. Zijn debuut Dagen van gras verscheen in 2009, gevolgd door de roman Niemand in de stad (2012), bekroond met de Dioraphte Jongerenliteratuur...

Philip Huff

Samenvatting

In de herfst van 2012 lag Philip Huff een maand in het ziekenhuis, voor een operatie waarvan onzeker was of hij die zou overleven. Na zijn ontslag vertrok hij voor een reis door Australië en Nieuw-Zeeland. Onderweg las en herlas hij voor hem belangrijke boeken.
Dat resulteerde in dit boek over zijn tijd in het ziekenhuis, over reizen en literatuur. In negen heldere hoofdstukken laat Huff zien hoe het werk van bekende en minder bekende auteurs als John McGahern, Alejandro Zambra, Virginia Woolf en Gerbrand Bakker zijn wereldbeeld bepaalden. Hij betoogt dat het lezen van romans je empathische vermogens oefent, dat het je ontvankelijker maakt voor je omgeving, en dat het inzicht geeft in het verhaal van je eigen leven.

‘Wie leest om aan zichzelf of de wereld te ontsnappen, is bij Philip Huff niet aan het juiste adres. Zijn essays herinneren je eraan dat literatuur het leven zelf is, en lezen een manier van ademen. Dit is een boek met een lichaam en een geest, en boven alles: een hart.’ – Niña Weijers

‘Huff toont zich ontvankelijk, schrijft intiem, en tast trefzeker: hij laat zien hoe leven en literatuur innig met elkaar verstrengeld zijn. Wie leest, leert leven, wie leeft, maakt verhalen.’ – Bas Heijne

Een turbulente en hectische tijd als deze vraagt om rust, reflectie, overzicht en werkelijke verbinding, om meer te weten te komen. Om dieplezen. Romans bieden die mogelijkheid.

Pers

Leesfragment

En de zon gaat op

In december 2012 landde ik in Nieuw-Zeeland. Het land is een van de ‘jongste’ landen ter wereld: pas in 1250 kwamen Polynesische migranten als eerste mensen op het eiland aan  Daarvoor leefden er voornamelijk vogels, bijna vijfduizend soorten. De meeste konden niet vliegen. Ze werden snel een groot onderdeel van het dieet van de nieuwe bewoners, die zich Maori zouden gaan noemen. Hun nieuwe land noemden ze Aotearoa, ‘het land van de lange, witte wolk’. In 1642 kwam de Nederlander Abel Janszoon Tasman met de boot aan bij het Zuidereiland, op de plek waar nu Nelson ligt (het land bestaat uit twee grote eilanden). Tasman stuurde een sloep met mannen naar de kust. Ze werden opgegeten. De kapitein besloot toen maar door te varen naar Tonga en Fiji. Tasman gaf het land wel zijn naam. Hij vernoemde het naar een provincie van zijn thuisland, Zeeland, ongeveer 18 500 kilometer verderop. Bijna honderdtwintig jaar later jaar lukte het de Engelsen, onder leiding van James Cook, de beroemde zeevaarder en cartograaf, wel om langdurig aan land te blijven. Er was geen wol, geen ijzer, er waren geen wielen. Geen aardewerk: de Maori gebruikten uitgeholde, uitgedroogde pompoenen als kruiken. Van steen maakten ze tot in de negentiende eeuw gereedschappen, wapens en ornamenten; hun boten waren zeilende kano’s van hout en gras. Ze waren de laatste grote gemeenschap die onaangetast was door de wijdere wereld. De komst van de Europeanen veranderde hun manier van leven ingrijpend, werd onderdeel van hun geschiedenis.

Ik ging op bezoek bij mijn beste vriendin, die in Nieuw- Zeeland woonde. De tweede week van mijn reis bracht ik met haar en haar familie door op het Zuidereiland, het grootste van de twee hoofdeilanden. Het eiland heeft een oppervlakte van meer dan 150 000 vierkante kilometer (bijna vier keer Nederland) en er wonen slechts een miljoen mensen. Vlak voor het plaatsje Wainihinihi stonden we op een camping. De doorgaande weg leidde in de ene richting naar Greymouth, en in de andere naar Christchurch, de stad die in 2010 en 2011 verschillende keren werd getroffen door zware aardbevingen, waarbij in totaal bijna tweehonderd mensen omkwamen. Ik ontmoette daar P., een lokale vrouw die lang in Engeland had gewoond. Zij vertelde dat grote delen van het centrum nog steeds niet toegankelijk waren. De torenspits van de kathedraal, volgens velen het mooiste gebouw van Nieuw-Zeeland, was verdwenen. P. verzekerde me dat het herstel van de stad nog nauwelijks was begonnen. Ze begreep dat wel, want een aardbeving was hier nooit ver weg. ‘Het kan zo weer gebeuren,’ zei ze.

De natuur leek sowieso niet te temmen: in de week dat we op de camping van Wainihinihi stonden, las ik in een lokalekrant over een kleine tornado die een golfbaan bij het nabijgelegen Mayfield verwoestte. We moesten onze route aanpassen omdat de verkeersbrug bij het plaatsje Franz Josef door het water was weggeslagen. Regelmatig stonden er borden langs de weg die waarschuwden voor aardverschuivingen. Dan waren er happen uit het asfalt genomen en lag de berm vol met stenen en gruis en dode bomen. En vaker dan ons lief was, duwde de wind onze auto op de smalle bruggen boven wilde rivieren zowat tegen de dunne houten reling.

De groene bergen en lege velden en vergezichten aan beide kanten van de weg waren overweldigend, maar ook angstwekkend. Vervallen schuren in verwilderde weilanden getuigden in stilte van de ongelijke strijd. Om eerlijk te zijn, stemde het prachtige landschap me al na enkele dagen melancholisch. Het duurde even voordat ik wist waarom.

Het inzicht kwam toen ik in een helikopter in de richting van Milford Sound vloog. Schaduwen van de wolken lagen als vlekken op het land, de machtige rivieren waren rimpels en de bergen van de Southern Alps lagen vol sneeuw ontzagwekkend te wezen in de zon. Nergens was een huis te zien, of een weg, of zelfs maar een zandpad.

Vanuit de lucht boven Nederland – bij het aanvliegen op Schiphol, bijvoorbeeld – is vooral te zien hoe groot en vervuilend de invloed van de mens op het landschap is. We blijven nijvere dieren die de aarde omwoelen, herinrichten en exploiteren. Volledig anders was het beeld van de Southern Alps: hier zag je hoe miezerig klein de mens soms ook is, hoe gering zijn greep op de natuur.

Ik miste op het Zuidereiland bestendig menselijk houvast: een huis van steen, een kerk van een paar eeuwen oud, een slingerende weg van gemeenschap naar gemeenschap. Menselijke orde. In dit ruige landschap las ik hoe onbetekenend mijn leven was in de grotere orde der dingen. Het landschap was prachtig – ja, subliem – maar ook intimiderend. De houten huizen waren met een windvlaag weg te vagen. Steden gingen te gronde, golfbanen werden opgetild en verwoest, en huizen en schuren vielen uit elkaar onder de voortdurende geselingen van de wind en de zon en de regen. Een stofje was ik, een vuiltje in de wind. Mocht ik hier moeten overleven, zou ik het nog geen week volhouden. De enige zekerheid die het landschap me kon geven, was dat de rivieren en de bergen ook dan bleven bestaan, net als hun geselroeden: de wind bleef blazen en de aarde bleef beven. Gaf dat troost?
*
Je kunt je natuurlijk ook geborgen voelen in een land. In Te Papa Tongarewa, het nationale museum in Wellington (op het Noordereiland), wordt veel aandacht besteed aan de Europese migranten die in de negentiende eeuw naar het land kwamen: ‘I was thinking of my family and a better future. We had been shown films and pictures of New Zealand… It looked beautiful, colourful and green, away from all the destruction.’ Het land had een reputatie van blauwe luchten, groene velden, en grenzeloze mogelijkheden voor hen die wilden werken. Een citaat uit een brief naar Engeland: ‘This is a country for living – beef, mutton, butter and eggs, and everything else that is good – we are happy as the day is long.’

Maar toch: het moet geen sinecure zijn geweest voor de eerste kolonisten uit Engeland toen die bij de westkust van het Zuidereiland aankwamen met hoogstens enkele koffers vol bezittingen. Die hoge, lange golven die neerkomen op het trand, in een gebied met de meeste regen van het hele land (en als de regen daar valt, komt hij ook echt als de toorn Gods uit de hemel vallen). Een land om in te leven, maar hoe?

Later, in Nelson, een stad in het uiterste noorden van het Zuidereiland, stond ik voor een plakkaat met de namen van de eerste Britse landverhuizers die daar met hun schepen aankwamen. Zomaar een van de inscripties: ‘Dove, James, 22 – agricultural worker’.

Welke vooruitzichten moest hij hebben gehad, dacht ik, en welke hoop of wanhoop voelde deze boerenknecht toen hij dit landschap voor het eerst zag? En de grond die hij moest bewerken? In welk verhaal dacht hij de hoofdrol te spelen? Maar het was die dag in Nelson prachtig weer, de lucht was blauw en het land uitnodigend groen, en misschien was dat ook zo op de dag dat James Dove voor het eerst voet aan wal zette.
*

 

Ik heb weinig romans gelezen waarin het landschap zo’n grote rol speelt als in The Sun Also Rises uit 1926 van Ernest Hemingway (1899 – 1961). Telkens weer wordt het verhaal van de hoofdpersonen – een groep Amerikaanse en Britse expats die in de jaren twintig van de vorige eeuw van Parijs naar Pamplona reizen – ingebed in of gecontrasteerd met het verhaal van de natuur om hen heen. Toen Hemingway de eerste versie van het manuscript van zijn roman af had, liet hij de tekst zien aan Nathan Asch, een Pools-Amerikaanse auteur met een zwaar accent. Die zei: ‘Hem, vaht do you mean saying you wrote a novel? A novel, huh. Hem, you are riding a travhel büch.’

Ik las Hemingways roman voor het eerst toen ik zeventien was en in Spanje woonde. Ik was het Gooi ontvlucht, naar Granada verhuisd, en wilde mijn eerste roman schrijven. Ik had me voorgenomen boeken van Spaanse schrijvers te lezen, om tegelijkertijd het land te leren kennen en een literaire traditie te leren kennen (ik voelde me, zoals elke puber, erg aangetrokken tot de gedichten van Federico García Lorca), maar dat ging te langzaam, waardoor ik besloot boeken over Spanje te lezen van schrijvers uit Engeland en Amerika. Hemingway was een van de eersten die ik las. Ik herinnerde me de indruk die het boek maakte: zo helder, zo economisch, zo full of quiet understanding wilde ik schrijven. Het was een boek waarin de niet-noodzakelijkheid van het verhaal dat mensen van hun leven maken de inzet was. Immers, dat iemand een verhaal maakte van zijn leven, was noodzakelijk, maar hoe dat verhaal precies werd vormgegeven, was vaak heel toevallig, afhankelijk van je afkomst en omgeving. En het gaat er vaak om of iemand zich daarbij wil neerleggen. Of diegene wel de hoofdrol wil spelen in het opgestelde verhaal.

Mensen dramatiseren hun leven, het weer, het verkeer, het landschap – ze dramatiseren alle persoonlijke en onpersoonlijke verschijnselen van deze wereld. Ze doen dit door stijlelementen te gebruiken als overdrijving, tegenstelling, omkering, projectie, kortom: door alle literaire middelen in te zetten die de schrijver ter beschikking staan om een eigen waarheid te creëren. Dramatiseren is niets anders dan waarnemingen, ervaringen en gevoelens onderbrengen in een samenhangende narratieve structuur die wordt gestuurd door de verbeelding: soms is de betekenis die zo ontstaat particulier, maar dikwijls is ze collectief in de zin dat ze samenvalt met de betekenis die wordt toegekend door anderen.

Ieder door de wetenschap gevoed mens voelt soms dat het leven op zichzelf niets betekent. De vraag is: hoe kennen we dat leven vervolgens wel waarde toe? Daar zijn meerdere manieren voor, maar één manier die we gebruiken om de leegte van het leven in te vullen, is te kijken naar wat men doet. ‘Men’ maakt bijvoorbeeld een verstandige studiekeuze met een blik op de arbeidsmarkt. Of men gaat op vrijdagavond de kroeg in en drinkt bier. Men zoekt als meisje doorgaans een jongen of als jongen een meisje en houdt zijn of haar hand vast. Die handelingen en keuzes staan in dienst van het verhaal dat die mensen zichzelf vertellen, namelijk: een loopbaan is belangrijk, bier drinken op vrijdag is een goede manier om te ontspannen en een vriendje of vriendin is waardevol. De mens heeft een groot leervermogen en kan leren na te streven wat die anderen de moeite van het nastreven waard vinden. De opvattingen van anderen kunnen ons dus sturen.

Maar van wat men allemaal doet, word jij misschien helemaal niet gelukkig. Dat liet het verhaal van Chris McCandless al zien. Dat uiterlijke verhaal kan niet aansluiten bij het innerlijke. Bovendien: wat ‘men’ doet is vaak heel beperkt: het is gebonden aan een dorp, of een stad of een land – een culturele omgeving – en vaak ook aan de tijd, aan of iemand man of vrouw is en aan een opleiding: dat alles is in iemands denken terechtgekomen. De paradox is dat verhalen van nog weer anderen je soms wél dichter bij jezelf kunnen brengen.

*

Zoals je ongemerkt kilometers kunt lopen zonder in de problemen te komen, tot je ineens een blaar voelt, zo merk je pas dat je gezond was zodra je het niet meer bent. Met andere woorden: we voelen ons gezonde lichaam niet. Je voelt alleen die pijnlijke elleboog waarmee je vanmorgen wakker werd, en vanaf dat moment voel je ook niets anders meer.

Pijn is dus een positief iets: het kenmerkt zich door aanwezigheid. Gezondheid is negatief: het kenmerkt zich door afwezigheid. Het is makkelijker je te realiseren dat je gezond was dan dat je het bent. En de mens kiest vaak de makkelijkste optie.

Zo is het ook met verhalen: we leven in alomtegenwoordige, vanzelfsprekende ideeën. Ideeën die toevallig tot stand zijn gekomen, maar die ook duurzaam zijn, want anders zou de waarde ervan verwaarloosbaar zijn. Totdat je vastloopt in die ideeën.

Maar het is niet alleen gemak waardoor je niet nadenkt over je gezondheid of de gezondheidszorg of de staatsschuld of de cultuur waarin je leeft: de meeste mensen hebben het te druk met werken en zich zorgen maken over andere dingen om hun gezondheid of wereldbeeld te overwegen. Totdat ze hun pols breken door een val van de keukentrap of hun heup door te struikelen over de drempel in de woonkamer, of totdat een dokter op ernstige toon zegt: ‘Ik vrees dat de klachten een vervelende oorzaak hebben.’

Of totdat je, zoals in mijn geval, op je negentiende, een jaar nadat je bent teruggekomen uit Spanje, op een avond op de eersteharthulp van een Amsterdams ziekenhuis belandt, met een snelle, onregelmatige hartslag, en een zuster haar diensttijd overschrijdt om bij je te blijven totdat je familie komt omdat ze ziet hoe bang je bent, omdat je de hele tijd denkt: ik ben ziek.

Uiteindelijk blijkt het om een genetische aanleg te gaan, iets wat dus al jaren in je systeem zit en zich nu pas openbaart. Je hebt de pech dat de aanleg een werkelijke bouwfout is geworden. Tenminste, dat is het verhaal dat je jezelf vertelt. Andere mensen denken daar misschien anders over. Hier komt je wereldbeeld om de hoek kijken.

Na de eerste schrik volgen de gesprekken met de doktoren en een inventarisatie van de mogelijke behandelingen. Wat kun je doen om weer gezond te worden? Om dat donderende hart niet meer te voelen?

Pillen, zegt de dokter. En als dat niet werkt, een infuus. En als dat niet werkt: een elektrische schok om het hart weer in een mooi ritme te krijgen. Maar je kunt natuurlijk niet elke twee dagen naar het ziekenhuis voor een zogenoemde cardioversie. (Dat is een ander onderdeel van niet-gezond zijn: je vocabulaire wordt in rap tempo uitgebreid met allerlei nieuwe woorden. En die leveren de bouwstenen voor je nieuwe wereldbeeld.)

De dokter zit voor je, achter een bureau in een klein kamertje, en kijkt opzij naar zijn ouderwetse beeldscherm. Hij zegt: ‘Maar die pillen kunt u niet uw hele leven slikken. Dan is de kuur bijna erger dan de kwaal.’

Er moet dus geopereerd worden. Dat proberen ze in Amsterdam in de hieropvolgende jaren drie keer, en drie keer zonder succes, maar ja, je hebt geen andere keuze, dus ga je door voor ronde nummer vier. In Groningen. Bij een chirurg die het anders gaat aanpakken.

Het wordt een zware operatie, zegt die dokter tegen je, in het laatste normale gesprek. Dat wil zeggen: het laatste gesprek samen. ‘U gaat het voelen.’

Je gaat je ongezondheid dus voelen om hopelijk daarna je gezondheid niet meer te voelen. Ik lag naast Henk en moest hieraan denken, en aan zijn opvattingen over gratie en inzet en dat die twee zo’n beetje alles zijn wat ons gegeven is. Hoe weinig de menselijke inzet wellicht verandert aan het verloop van de dingen, het is wel het enige waar wij invloed op hebben en dus is het zaak ons daarop toe te leggen. Met enige elegantie, inderdaad. Je kunt ermee beginnen door te zorgen dat het verhaal dat je jezelf vertelt deugt. U gaat het voelen.

Het is niet erg, denk je, dat je het gaat voelen. Je wilt het leven diep doorleven en alle merg eruit zuigen, en pijn hoort daarbij, zolang het maar het gevolg is van een poging je wereld vorm te geven op een manier zoals jij dat wilt proberen. En je gelooft dat dat kan.

*

Het proza in The Sun Also Rises is van de meest zinnelijke soort: elke zin wekt een beeld van een nachtelijke straat in Parijs of Pamplona of een Spaans vergezicht: taaie, dorre heuvels, met flanken van leeuwenhuidachtige grond worden afgewisseld met groene, vruchtbare valleien en heldere rivieren. Hoofdpersoon is Jake Barnes, een Amerikaanse journalist in Parijs die het allemaal heeft meegemaakt. Hij is gewond geraakt in de oorlog en is niet in staat een stijve pik te krijgen (hij meent daardoor niet te kunnen beminnen, en is ervan overtuigd dat wie niet kan beminnen niet van iemand kan houden). De andere hoofdpersonen zijn op hun eigen manier ook door de oorlog en hun geschiedenis getekend. Zij

gebruiken hun eigen methodes om hun emoties uit te schakelen, om maar niets te voelen. Zij construeren hun eigen verhalen (schrijver Bill Gorton blust het verleden in drank, Lady Brett ontvlucht zichzelf in de armen van vreemde mannen).

Maar in feite zijn zij allen bijfiguren van de echte hoofdrolspeler van het boek: de aarde die altijd blijft bestaan. Niet voor niets luidt een van de twee motto’s van de roman (afkomstig uit het Bijbelboek Prediker): ‘One generation passeth away, and another generation cometh; but the earth abideth forever…

The sun also ariseth, and the sun goeth down, and hasteth to the place where he arose… The wind goeth toward the south and turneth about unto the north; it whirleth about continually, and the wind returneth again according to its circuits… All the rivers run into the sea; yet the sea is not full; unto the place

from whence the rivers come thither they return again.

Hemingway beklemtoont met dit motto de kortheid van het menselijk drama en de eeuwigheid van het decor. De auteur dramatiseert in zijn roman een reis om de (grotendeels vergeefse) zoektocht van zijn karakters weer te geven, een zoektocht naar verhalen die zin geven. Hij gebruikt het landschap als een spiegel voor hun gevoelens en gedachten; de grote stad verdooft en vraagt, de rivier Irati voedt en vult; een feestend stadje op een van de vlakten van het haast heilige land toont de terugkerende zucht naar extase van de personages. Hemingway gebruikt de stierenarena om het leven als een strijd op leven en dood te tonen. Hij prijst de strijdlust van de mens, onderzoekt diens angst en moed. Tegelijkertijd heeft hij een scherp oog voor het menselijk tekort. Schaamte, jaloezie, gevoelens van afwijzing, een vechtpartij: alles komt voorbij op hun zoektocht naar invulling van de leegte om hen heen.

De personages in Hemingways roman kennen de waarden die de leegte invullen – dat ze eerlijk moeten zijn tegenover zichzelf en anderen, dat ze zichzelf en anderen lief moeten hebben, dat ze voor de aarde, zichzelf en anderen moeten zorgen – maar ze worstelen er tegelijkertijd mee. The Sun Also Rises onderzoekt hoe moeilijk het is voor elk mens om een plek onder de zon te vinden door een eigen verhaal te maken los van de ongevraagd meegekregen bagage.

Daarnaast is de roman een pleidooi voor de weerbarstigheid en kracht van de mens in zijn zoektocht. Het is alsof Hemingway een denkwijze wil ontwikkelen rondom ‘beauty to behold’ (de aarde) en ‘beauty to be’ (de mens). Lees even mee met de zoektocht van de auteur in zinnen even ruig en golvend als het uitgebeelde landschap:
After a while we came out of the mountains, and there were trees along both sides of the road, and a stream and ripe fields of grain, and the road went on, very white and straight ahead, and then lifted to a little rise, and off on the left was a hill with an old castle, with buildings close around it and a field of grain going right up to the walls and shifting in the wind. I was up in front with the driver and I turned around. Robert Cohn was asleep, but Bill looked and nodded his head.
De protagonisten komen net uit de stad die ze veel geeft maar ze ook uitput. Dit landschap is een plek waar ze hun krachten kunnen aanvullen, dit is zo’n plek onder de zon waar ze kunnen opgaan in de schoonheid van de aarde – door te vissen, te wandelen, goed te eten en te drinken. Op deze manier kunnen ze samensmelten met de door hen aanschouwde schoonheid. Maar net zo vaak verprutsen ze het tijdens hun reis, door angst, haat, jaloezie en kortzichtigheid.

Het tweede motto van de roman is korter en staat haaks op het eerste. Het is een uitspraak van Hemingways mentor Gertrude Stein: ‘You’re all a lost generation.’

De hoofdpersonen uit het boek – Jake Barnes, Lady Brett Ashley, Bill Gorton, Bretts aanbidder en kortstondige minnaar Robert Cohn – zijn allemaal generatiegenoten en behoren tot Steins ‘lost generation’, een generatie voorgoed ontheemd door de Eerste Wereldoorlog (toen nog: de Grote Oorlog). De vraag is: vindt Hemingway dat ook? Zijn de karakters uit The Sun Also Rises voorgoed op drift, ligt zingeving in hun leven buiten hun bereik? De lezer raakt tijdens hun reis naar Spanje betrokken bij de hoofdpersonen en maakt een voorstelling van hun lot.

De karakters in Hemingways roman zijn niet zozeer verloren, ze zitten vast in hun cynisme. Uit onvrede over het politieke, intellectuele en emotionele klimaat van hun tijd, verlangen ze naar nieuwe ervaringen, naar nieuwe uitzichten, naar een ander verhaal. Ze willen wel uit hun wereldbeeld breken, ze weten alleen niet hoe, dus durven ze amper aan hun verlangen toe te geven. Wat de personages echt vinden of voelen, blijft vaak onderhuids, en ze kleden hun levens aan met smalltalk (opmerkelijk genoeg zijn de hoofdpersonen de enkele keer dat ze bespreken wat hen wél raakt dronken. Alleen dan hebben ze blijkbaar het lef te zeggen wat hun op het hart ligt). Maar juist daarom staan die gesprekken daar, zodat je als lezer precies voelt wat er aan de hand is: de bekende ‘stiff upper lip’, die overheersende conventie van de Angelsaksische upper class, beschermt en belemmert de karakters tegelijkertijd. Wie niet uitspreekt dat hij van iemand houdt, sluit de mogelijkheid van een gebroken hart uit, maar ook de mogelijkheid van wederkerige liefde.

Hoofdpersoon Jake Barnes doet net alsof zijn verleden in die zoektocht geen rol speelt, alsof zijn leven tot nu toe niet telt, en de toekomst evenmin. Hij doet of al zijn verlangens zijn gedoofd: dat is het verhaal dat hij maakt. De vrouw op wie Jake verliefd is maar met wie hij niet samen is, Brett Ashley, leeft juist op de lichtbakens van haar verlangens. Die leiden haar van het ene avontuur naar het andere, van de armen van Robert Cohn tot die van een negentienjarige matador, maar uiteindelijk brengen die avonturen haar geen geluk. De niet-genomen paden (zoals die met Jake) blijven knagen. Om dat te compenseren leeft Ashley een tweede leven, een soort virtueel bestaan in woorden, in de overwegingen van mogelijkheden, in verhalen over het leven dat ze zou kunnen hebben geleid.

Aan het einde van de roman is de schrijver zo genadeloos om dit zonder omhaal te tonen wanneer ze samen in een taxi in Madrid zitten:

 

‘Oh, Jake,’ Brett said, ‘we could have had such a damned good time together.’ Ahead was a mounted policeman in khaki directing traffic. He raised his baton. The car slowed suddenly pressing Brett against me. ‘Yes,’ I said. ‘Isn’t it pretty to think so?’

 

De boodschap is duidelijk: wat de mens kan denken, is wat hij wil zien. Het verhaal dat de mens zichzelf kan vertellen, hangt van de woorden af die hij kent. En Brett praat in de voltooid verleden toekomstige tijd: het zou fijn zijn geweest, maar het gaat niet meer gebeuren.

Hier tekent Hemingway precies wat Richard Rorty in Contingency, Irony, and Solidarity omschrijft als ‘our own half-articulated need to become a new person, one whom we as yet lack words to describe’. Mensen zitten opgesloten in hun vocabulaire, in een wereld van toevallige noodzakelijkheden. Natuurlijk, een aanzienlijk deel van de werkelijkheid is noodzakelijk, omdat ze nu eenmaal is zoals ze is: zwaartekracht bestaat en de seizoenen volgen elkaar op, maar veel dingen hadden net zo goed anders kunnen zijn, te beginnen met de plek waar wij zijn geboren of de school die onze ouders voor ons uitzochten. Veel dingen zouden anders kúnnen zijn geweest, en nog weer veel andere dingen kúnnen anders zijn. Of worden. Misschien alleen al als we er slechts een andere houding tegenover aannemen. Wat Jake Barnes en Lady Ashley denken is niet noodzakelijkerwijs waar (het beschrijft geen intrinsieke eigenschap van de wereld), het is waar omdat zij het waar vínden.

Wat de hoofdpersonen van Hemingway een boek lang zoeken, zijn nieuwe, passende woorden voor het geloof in de mogelijkheden van menselijk handelen. Vandaar de fascinatie van Barnes en Ashley voor torero’s: zij zijn sterk en dapper en weten voor welke waarden ze de stierenarena binnen gaan: roem, eer, moed, kracht en schoonheid. Die woorden omvatten hun handelen volledig. Maar de wereld is complexer en groter dan die in een arena en het lukt Hemingways personages niet de woorden te vinden voor hun geloof in hún mogelijkheden. ‘Don’t let’s ever talk about it. Please don’t let’s ever talk about it,’ laat Hemingway Brett meerdere keren zeggen.

Laten we er niet over praten als realistische mogelijkheid, dat is de veiligheidsgordel van Hemingways hoofdpersonen. Brett en Jake zitten opgesloten in het idee dat ze de mogelijkheden die ze zien niet kunnen verwezenlijken. Ze durven zich niet over te geven aan de onzekerheid, hun cynische wereldbeeld niet los te laten en de stap te zetten in de ongewisse ruimte tussen wie ze nu zijn en wie ze straks willen worden. Ze zijn nodeloos wreed voor zichzelf. Dat had ik op mijn achttiende net zo goed door als op mijn achtentwintigste. Zo zal hun geest, net als bij Hemingway zelf, onherroepelijk vastlopen in de zelfgekozen verdoving van drank, feest en andersoortige roes. En dat terwijl dit boek juist lijkt te willen zeggen: wie niet waagt te formuleren wat hij wil, kan niet worden wie hij is, en dat leidt tot ellende, wellicht het enige soort ellende dat voorkomen kan worden.
*
Het menselijk bewustzijn is in grote mate symbolisch – het zoekt tekens die begrip van de situatie representeren – en in dit opzicht is het treffend dat de symboliek van Hemingways roman voor een groot deel is gekoppeld aan het gevecht op leven en dood in de stierenarena. Want uiteindelijk is de zoektocht van Barnes en Ashley naar zingeving ook een kwestie van leven en dood. Er is, in navolging van het motto

van Stein, vaak beweerd – recent bijvoorbeeld nog door Jet en Pieter Steinz in hun Steinz, gids voor de wereldliteratuur (2015) – dat Hemingways werk ontluistert. Hij zou de mens afschilderen als verloren in een wereld vol verschrikkingen. Maar wie volledig verloren is, kan daarmee ook volslagen vrij zijn. En dat zijn Hemingways karakters nooit; ze blijven altijd min of meer gevangen in hun eigen (vaak ongewenste) wereldbeeld. Mij toonde Hemingways boek juist de schoonheid van het bestaan.

En schoonheid komt door kunde, en kunde komt niet gemakkelijk. Maar de mens is wel degelijk in staat die bekwaamheid te verwerven, ook volgens Hemingway. Sterker nog: hij toont ons momenten waarin het de karakters lukt. En misschien is dat het wereldbeeld van The Sun Also Rises, het besef dat het menselijk streven soms wel maar meestal niet zijn doel bereikt. Dat de grootste glorie bovendien net zo snel weer verdwijnt als ze is verschenen. Maar dat dit de mens nooit ontheft van zijn taak te blijven streven. Hij heeft de plicht zijn woorden te wegen, zijn verhalen te overdenken, en, als beide hem niet bevallen, om te zoeken naar een nieuw, eigen verhaal. Want als hij dat niet doet, sterft zijn geest lang voordat zijn lichaam het opgeeft. Ook in het geval van hoofdpersoon Jake Barnes, wiens tragedie niet is dat hij niet krijgt wat hij wil, maar dat hij niet durft na te jagen wat hij wil. Hij heeft op die manier niets te verliezen:
Cohn looked at the bottles in bins around the wall.

‘This is a good place,’ he said.

‘There’s a lot of liquor,’ I agreed.

‘Listen, Jake,’ he leaned forward on the bar. ‘Don’t you

ever get the feeling that all your life is going by and

you’re not taking advantage of it? Do you realize you’ve

lived nearly half the time you have to live already?’

‘Yes, every once in a while.’

‘Do you know that in about thirty-five years more we’ll

be dead?’

‘What the hell, Robert,’ I said. ‘What the hell.’

‘I’m serious.’

‘It’s one thing I don’t worry about,’ I said.

‘You ought to.’

‘I’ve had plenty to worry about one time or other. I’m

through worrying.’
Hemingway is als auteur van The Sun Also Rises en derhalve als regisseur van de levens van zijn hoofdpersonen wellicht een ‘ironicus’ te noemen: hij lijkt te beseffen hoe toevallig het bestaan en de wereldbeelden van zijn karakters zijn. Voor zijn hoofdpersonen zijn de dingen zoals ze zijn, Jake maakt zich geen illusies meer, maar de schrijver weet dat ze net zo goed anders hadden kunnen zijn. Als zijn personages dat zouden kunnen zien, konden ze uit de conventies en constructies breken die hen gevangen houden. Maar dan moeten ze hun verlangen tonen, zich blootgeven, de sprong wagen. De lezer blijft achter met de vraag of dit ooit zal gebeuren. Misschien worden de dingen nog wel anders, misschien verandert hun wereldbeeld nog, maar waarschijnlijk is dat niet.

Is de mens in staat om te veranderen, om zijn leven zelf vorm te geven? Hemingways roman confronteert de lezer met de opgave van de menselijke existentie: de noodzaak om zelf te veranderen, als je verandering in je leven wilt. Door de verbeeldende kracht van de roman en de betrokkenheid van de lezer wordt deze last heel duidelijk voelbaar.

Het behoeft geen betoog dat The Sun Also Rises een autobiografisch boek is: in de jaren twintig maakte een jonge Hemingway, woonachtig in Parijs, en veteraan van de Eerste Wereldoorlog (hij reed ambulance voor het Italiaanse leger), diverse reizen naar Pamplona, de laatste keer met een groep waarin zich een zekere Lady Duff Twysden bevond, op wie hij verliefd was, maar wier minnaar zich ook in het gezelschap bevond. Op een zeker moment stond hij – net als Jake Barnes in het boek – ook op het plein van Pamplona te vechten met de minnaar van Lady Duff Twysden (anders dan in het boek, waarin Jake ongetrouwd is, zat Hemingways vrouw iets verderop). Maar het persoonlijke van het boek zit hem, denk ik, niet alleen in de overeenkomsten met het leven van de schrijver, maar ook in het wereldbeeld – in de visie van het boek, in de gedachten en de gevoelens. Hemingway pendelt in The Sun Also Rises voortdurend tussen ‘ik maak me zorgen’ en ‘het kan me níets schelen’. Er staat hier een boel op het spel, ook voor de schrijver. Te weten: geef ik mezelf de kans op een nieuw verhaal of geef ik me gewonnen?

*

Dorothy Parker zei ooit ietwat snerend: ‘Gertrude Stein did us the most harm when she said, “You’re all a lost generation.” That got around to certain people and we all said, “Whee! We’re lost.”’ Hemingway toont het gevaar van geloven in zo’n uitspraak, wat voor schade zo’n leugen kan aanrichten. Zijn boek stelt: ‘Zo verloren zijn we wellicht nog niet. Dat wil zeggen: niet meer of minder dan de generaties voor of na ons. Ook wij hebben de beschikking over concepten als “moed” en “gratie” en “integriteit”. Die kunnen we, als we willen, inzetten, toepassen op wie we zijn. Onderdeel maken van het verhaal waarin wij leven.’ In The Sun Also Rises scheppen de hoofdpersonen iets om zich aan vast te houden in deze wereld. Zij knutselen, net als wij allemaal, hun eigen wereldbeeld in elkaar. Maar in dit geval is het een wereldbeeld dat hen vooral gevangen houdt.

Leesfragment

Als we op ons best zijn

De dood van Christopher Johnson McCandless was een nodeloze, wrede gebeurtenis. In elk geval was het dat vanuit het perspectief van een twaalfjarige jongen die voor het eerst een boek las waarvan hij besefte dat het ‘echt’ was gebeurd. Die jongen was ikzelf en het boek was De wildernis in, de Nederlandse vertaling van de wereldwijde bestseller Into the Wild uit 1996 van de Amerikaan Jon Krakauer. Ik las het in Frankrijk, in de zomervakantie voordat ik naar de middelbare school ging.

Christopher McCandless werd in 1968 geboren als het oudste kind van Walter McCandless en Wilhelmina Johnson. Twee jaar later werd zijn zusje geboren, Carine. In 1976 verhuisde het gezin naar Annandale, Virginia, een suburb van Washington, D.C., waar zijn vader werkte voor nasa, het agentschap van de Amerikaanse regering voor ruimtevaart. Zijn moeder werkte als secretaresse bij een luchtvaartbedrijf. Later zou ze haar man helpen met zijn succesvolle adviesbureau. Het gezin was ogenschijnlijk gelukkig, maar Walter mishandelde zijn vrouw, zijn zoon en zijn dochter en tussen zijn

geboorte en de geboorte van zijn zusje verwekte McCandless’ vader nog een kind bij zijn ex-vrouw.

Op de middelbare school was McCandless een idealistisch kind en aanvoerder van het cross countryteam – een goede langeafstandsloper, die rennen zag als een soort spirituele exercitie. Hij rondde de middelbare school af met hoge cijfers en studeerde verder aan Emory University, een prestigieuze universiteit in Atlanta. In 1990 behaalde hij een bachelor in geschiedenis en antropologie. Al tijdens zijn studiejaren versoberde McCandless zijn leven. Hij woonde in een simpele kamer, met een matras op de grond, en deed niet veel mee aan het studentenleven. Nadat hij was afgestudeerd en zijn niet geringe spaarrekening had overgeschreven naar Oxfam, vertrok hij op een reis die uiteindelijk bijna tweeënhalf jaar zou duren en meer dan zesduizend kilometer zou beslaan, veelal lopend, liftend of rijdend – soms zelfs kanoënd – afgelegd. De wildernis in is een reconstructie van die reis, rijkelijk voorzien van interviews met mensen die McCandless leerden kennen, persoonlijke ervaringen van de auteur, en reflecties over de natuur, het menselijk lot en andere avonturenzoekers als de hoofdpersoon. Het verhaal eindigt in de wildernis van Alaska, waar McCandless zijn laatste rite de passage wilde voltooien. Na een zes dagen durende wandeltocht over de Stampede Trail verbleef hij 113 dagen in een verlaten bus die werd gebruikt als schuilplek voor jagers. Daar hoopte hij in harmonie met de natuur te kunnen leven, maar hij stief er op 24-jarige leeftijd door uithongering.

McCandless’ dood greep mij erg aan. In een kleine driehonderd bladzijden was Alexander Supertramp – McCandless’ alter ego – uitgegroeid tot een held en ik voelde mij betrokken bij zijn lot. Hij had het gedurfd de hypocrisie en het materialisme van de moderne samenleving waarin hij was grootgebracht te verwerpen en terug te keren naar de natuur. McCandless was daartoe geïnspireerd geraakt door mensen als Lev Tolstoj, Jack London en Henry David Thoreau, die ditzelfde elk op hun eigen wijze ook hadden gedaan, en er veel aan hadden overgehouden. Maar zij bekochten hun hergeboorte niet met de dood. McCandless wel.

Ik wist dat er wreedheid bestond in de wereld, en dat er altijd gevaar en lijden zou zijn, daarvoor hoefde ik op de basisschool geen Schopenhauer of Rousseau te hebben gelezen – de boeken van Thea Beckman, Evert Hartman en Jan Terlouw waren genoeg. Maar in hun verhalen was het gevaar  altijd spannend, niet dodelijk, en de enkele keer dat dit wel zo was, waren het altijd bijfiguren geweest die doodgingen, nooit de hoofdpersonen. Niet eerder had ik ervaren dat het universum zich zo leek te keren tegen iemand die ik bewonderde, zo onverschillig was door een held geen tijd te gunnen zijn fouten te herstellen. Hier had de harde werkelijkheid gewonnen van de verbeeldingskracht.

Hoewel de dood van McCandless mij als twaalfjarige schokte, besefte ik bij herlezing dat zijn ‘Alaskan Odyssey’ ook dom was te noemen: het is onverstandig om met te weinig proviand,  te weinig jaagervaring en zonder kompas of geschikte kaarten de wildernis in te trekken. En doordat McCandless geen goede kaart of kennis van het gebied had, moest hij zijn voorgenomen terugreis (na drie maanden verblijf ) staken. De Teklanika River, eerst een rustige stroom, was door smeltwater veranderd in een wilde rivier. Krakauer schreef dit zo beeldend op, dat ik de rivier voor mij zag zoals McCandless hem moest hebben gezien. Maar op een kilometer van waar hij haar weer wilde oversteken was een handbediend bakje aan een kabel dat hem naar de overkant had kunnen helpen, wist ik. Hij niet. En dat maakte me woest. Aan de andere kant: dat was precies het punt van McCandless. Hij wilde geen kaarten, geen kompassen, geen lessen van anderen. Hij wilde zelf iets ervaren en dat in kaart brengen. Hij wilde zijn eigen weg en waarheid vinden.

McCandless’ levensvisie bevat een paradox, merkte ik: hij liet zich vaak wél inspireren door fictie en auteurs – hij sleepte meer boeken dan proviand mee – maar hij weigerde soms ook de concrete ervaring van anderen – bijvoorbeeld een kaart – te gebruiken in het vinden van zijn weg door het leven. Dat leidde tot zijn beklagenswaardige einde: met een kaart en kompas op zak was hij wel teruggekeerd.

Misschien moet ik het zo verwoorden: Christopher Johnson McCandless wilde vergeten wat hij had meegekregen, hij was op zoek naar iets nieuws, en hij wilde de natuur zijn verbeelding laten voeden, terwijl hij die tegelijkertijd aan zijn verbeelding wilde onderwerpen. Wat McCandless beoogde, was niets anders dan het verhaal van zijn leven te herschrijven. Hij weigerde te leven in de verhalen die hem werden verteld, in de hypocrisie van de Amerikaanse suburb, met gewelddadige vaders met buitenechtelijke kinderen en met onderdanige moeders met een buitensporige fascinatie voor materiële welvaart. Hij weigerde evenmin te geloven dat een alternatief ontbrak; het bestond en hij zou het vinden. Hij hoopte die zin te vinden in de natuur. Het leven is zinloos, dus moet de mens er zelf zin aan geven.

In 2014 omschreef de in Alaska geboren schrijver David Vann in een interview hoe dit bij hem werkt: ‘Natuur heeft van zichzelf geen enkele betekenis, maar ieder mens die haar betreedt, gééft haar betekenis: een geheimzinnig bos, dreigende bergen, een vredig meer. Het landschap is een gigantische rorschachvlek waarin men zichzelf kan lezen. De mensen in mijn boeken gaan het landschap binnen met het romantische idee puurheid en zuiverheid te vinden, maar ontdekken in plaats daarvan de verschrikkelijke waarheid over zichzelf.’

De verschrikkelijke waarheid over zichzelf die McCandless vindt, schrijft hij aan het einde van zijn verblijf op in het dagboek dat hij bijhield: ‘Happiness is only real when shared.’ Zijn solitaire bestaan kende grenzen. De boeken die hij las maakten indruk. De mensen die hij ontmoette, verrijkten zijn ervaring. En de natuur voedde zijn ontzag voor schoonheid.

Het boek maakte grote indruk op mij als jonge lezer. Ik was een jongen uit het Gooi, een vergelijkbare omgeving als Annandale, die aan de vooravond van zijn middelbareschooltijd stond. Ik kwam uit een ogenschijnlijk gelukkig gezin, maar ook bij ons thuis was er veel ruzie. Bijna alles wat ik tot die tijd had gedaan, van tennis en hockey tot de keuze voor een categoriaal, was opgelegd. Hetzelfde gold voor mijn bovengemiddelde interesse in welvaart.

Er is een anekdote dat ik als jonge jongen aan de hand van mijn vader door het centrum van Laren liep, de PvdA op verkiezingstournee, Wim Kok achter de oven van de poffertjeskraam op de Brink, en dat iemand mij een PvdA-ballon aanbood. Ik schudde mijn hoofd en zei: ‘Nee, ik wil er een van de vvd.’ Mijn reactie kwam voort uit wat gebruikelijk was in die wereld, niet zozeer uit wat ík wilde. Later voelde ik een grote behoefte me tegen die wereld te keren, me af te zetten. Maar als ik sprong, landde ik telkens weer op mijn geboortegrond. Ik kon er niet aan ontsnappen. McCandless was ouder dan ik. Hij keerde zich zonder te springen van zijn oude wereld af; hij las en las en las andere waarheden dan de waarheden die hij had meegekregen en toen de tijd kwam liep hij met die kennis simpelweg een nieuwe wereld binnen.

De zomer voordat ik in Groningen werd opgenomen, was ik in Ierland. Ik heb daar familie wonen en help in de zomer een beetje op de boerderij. Daarna reis ik rond. Ik was met reisgenoten P. en J. op weg naar de westkust, om te wandelen in de counties Sligo (het land van W.B. Yeats), Mayo (de hoogste kliffen van Ierland) en Galway (‘Croí Cultúrtha na hÉireann’, ‘Het culturele hart van Ierland’). Omdat het op de route lag, hadden we besloten in county Leitrim op zoek te gaan naar de geboortegrond van John McGahern, een van mijn lievelingsschrijvers, en vlak voor zijn overlijden in 2006 nog door The Observer uitgeroepen tot ‘the greatest living Irish novelist’.

McGaherns geboortehuis bestond niet meer. Wat nog wel te vinden zou zijn in Fenagh: het hek van zijn geboortehuis, een ander huis waar John McGahern vanaf midden jaren zeventig tot aan zijn dood woonde (zijn vrouw woont er nog steeds), de lagere school waar zijn moeder had lesgegeven, en de kerk in Aughawillan, symbool van het (inperkende, onderdrukkende) geloof dat in al zijn boeken een grote rol speelt.

Het eerste boek dat ik van McGahern las, was niet Amongst Women (1990), zijn bekendste roman, maar Creatures of the Earth uit 2006, een bundel nieuwe en verzamelde korte verhalen die ik eind 2007 cadeau kreeg van mijn toenmalige vriendinnetje. Ze wist van mijn liefde voor Ierse literatuur en voor het korte verhaal. Ik vond het boek bijzonder mooi, vooral door de vertelstem van McGahern. Die heeft een rustige, trefzekere toon, waarmee hij de psychologie en hypocrisie van mensen genadeloos blootlegt. Dat laatste deed mij denken aan De wildernis in. Zo eindigt in het verhaal ‘Korea’ de jeugd van de hoofdpersoon even abrupt als die van Christopher Johnson McCandless als die hoort van het buitenechtelijke kind van zijn vader. McGahern beschrijft hoe een Ierse weduwnaar op het platteland van de jaren vijftig zijn zoon ertoe probeert over te halen dienst te nemen in het Amerikaanse leger, om in Korea te vechten, zodat hij daarna als een oorlogsheld in Amerika kan wonen en studeren. Hij is zelfs bereid het ticket daar naartoe te betalen. Dan hoort de zoon op een dag per ongeluk een gesprek van zijn vader met een vriend:

‘Every American’s soldier’s life is insured to the tune of ten thousand dollars.’ ‘I heard they get two hundred and fifty dollars a month each for Michael and Sam while they’re serving,’ he went on. ‘They’re buying cattle left and right,’ Farrell’s voice came as I closed the door and stood in the darkness, in

the smell of shit and piss and the warm fleshy smell of worms crawling in too little clay. The shock I felt was the shock I was to feel later when I made some social blunder, the splintering of selfesteem and the need to crawl into a lavatory to think. […] He’d scrape the fare, I’d be conscripted there, each month he’d get so many dollars while I served, and he’d get ten thousand if I was killed. In the darkness of the lavatory between the boxes of crawling worms before we set the night line for the eels I knew my youth had ended.

Je weet dat je jeugd voorbij is op het moment dat je op zoek moet gaan naar je eigen verhaal, je eigen waarheid, omdat je niet langer voor anderen wilt leven, in hun leugens, in een je gegeven wereld, maar voor jezelf, in je eigen wereld, met je eigen waarheid en verhaal, hoe pijnlijk ook. Dat gold zowel voor Chris McCandless als John McGahern, hoewel McGahern, net als ik, nog een tijdje moest wachten voordat hij zijn geboortegrond kon verlaten.

Wat beide mannen deden, was de ene groep woorden en waarden met een andere groep woorden en waarden vergelijken, ze keken naar wat Richard Rorty in Contingency, Irony, and Solidarity (1989) een ‘eindvocabulaire’ noemde – de woorden waarmee een wereldbeeld is opgebouwd. Hun grootste angst was te leven in andermans verhaal en zo niet zelf te leven maar geleefd te worden. McCandless wilde zichzelf (her)scheppen. Hiertoe keek hij kritisch naar zijn eigen verhaal, zodat hij het verleden dat hem definieerde kon vervangen voor iets anders.

Niet lang nadat ik Creatures of the Earth had gelezen, gaf mijn vriendin me nog een cadeau, Memoir, McGaherns autobiografieuit 2005. Terwijl ik het boek las, zei ik haar dat ik het weer ervaarde: dat tintelende gevoel als je leest, alsof je door een betoverend landschap loopt, het leven om je heen tot in het diepst van je wezen kunt opnemen, en elke ademteug de helderheid van een openbaring heeft. Er wordt betekenis gegeven, een betekenis die op andere wijze niet te verkrijgen is. Het boek geeft een idee van de werkelijkheid. Het biedt de lezer een waarheid om in te geloven.

Memoir gaat over die enige, echte queeste in een mensenleven (als leven niet overleven is), de queeste uit De wildernis in: niet worden wat je ouders willen dat je wordt, of wat de maatschappij van je verwacht, maar worden wat je zelf wilt worden, worden wie je werkelijk bent. Die uitdaging, je leven zelf vormgeven, op zoek gaan naar een werkelijkheid die overeenkomt met je diepste innerlijk, en zo het nutteloze leed te vermijden, wist McGahern in zijn autobiografie en in zijn verhalen tot zinvolle, schitterende literatuur te maken.

In de boeken van McGahern die ik daarna las – bijvoorbeeld de romans The Barracks (1963), The Pornographer (1979) en That They May Face The Rising Sun (2001), en de verhalenbundels Getting Through (1978) en High Ground (1985) –, hoorde ik elke keer weer die stem: helder, sereen, wijs, liefdevol, op zoek naar zichzelf. En in elk boek komen ook de bouwstenen van zijn eigen leven op de een of andere wijze terug: zijn gewelddadige vader (een politieman), zijn vroeg gestorven liefhebbende moeder (een lerares), de politiebarakken waar zijn vader werkte, de lange, lege landwegen; McGaherns schooljaren (waarin hij priester wil worden, om een belofte aan zijn moeder gestand te doen), zijn studententijd en zijn eigen carrière als docent (want seks was voor McGahern een te wezenlijk onderdeel van het leven om het celibaat te omarmen), de verstikkende Ierse samenleving van de jaren veertig, vijftig en zestig, waarin het publiceren van een seksueel getint boek (The Dark, 1965) en trouwen met een niet-katholieke vrouw (de Finse Annikki Laaksi) hem op ontslag en verbanning kwam te staan. En altijd weer: kanker, de ziekte van zijn moeder, en het gevoel dat ze geen kans heeft gekregen om het leven af te maken, haar dierbaren te beschermen. Maar niemand krijgt die tijd, iedereen kent zijn eigen vorm van kanker: ontslag, een relatie die stukloopt, een kind dat omkomt, ziekte, depressie. Dit oeuvre gaat over de vele vormen van verlies. En over telkens weer waardig met dat verlies omgaan. Veel wordt ons afgenomen, maar veel blijft ook bestaan.

John McGaherns werk toont de lezer hoeveel het waard is om je eigen waarheden te ontdekken en daarvoor te strijden, zowel in de kleine wereld van een familie als in de grotere wereld daaromheen, ondanks de wreedheid en het lijden en het verdriet dat de mens steevast treft. Literatuur kan een afspiegeling vormen van de wereld, een zachte wereld waarvoor ze wil vechten – of een barbaarse wereld waartegen zij wil strijden. Hier naderen we de kern van literatuur: schrijvers zijn de hoeders van het mogelijke. De mens is de enige diersoort die in staat is om werkelijkheid te laten worden van wat hij voelt in zijn hart en wat hij verbeeldt in zijn hoofd. ‘Reality’, zoals het spreekwoord zegt, ‘is nothing more than an invention of the imagination.’ De waarheid is het verhaal dat ieder van ons – op afzonderlijke wijze – van de werkelijkheid maakt.

*

Aan de rand van Fenagh stopten we bij een vervallen kerk zonder dak en liepen de begraafplaats op, op zoek naar het graf van de schrijver. We konden nergens iets vinden. ‘Misschien is dit niet het juiste kerkhof,’ zei J.

Misschien niet, nee.

Verder dus, langs lage, stenen muurtjes en weilanden vol gele bloemen en hoog gras. Meertjes in de verte. Het centrum van Fenagh was weinig meer dan een T-splitsing bij een verlaten huis met een muur vol klimop en een telefooncel ernaast. Er was zelfs geen wind.

Who would want change since it will come without wanting? dacht ik. Sommige verandering is gewenst, gezocht, de andere vorm van verandering overvalt ons, ontneemt dromen en geliefden. Met beide vormen moeten wij (leren) leven.

De man van het ‘Visitor’s Centre’ vertelde reisgenoot P., die twee jaar in Dublin woonde, hoe we bij het huis van McGahern, of, beter gezegd, dat van zijn weduwe moesten komen. Hij tekende een kaart achter op een papieren placemat.

‘She doesn’t like all the visitors. But if you drive this way and park the car there, you have a nice view of the lake and the house and you can walk around a little bit.’

Hij tekende ook uit hoe we bij de voormalige school van McGaherns moeder moesten komen, de kerk waar hij wél begraven lag, een pleintje in het centrum van Ballinamore, waar een plaquette in de grond te vinden was met de tekst ‘That they may face the rising sun’, en een bankje aldaar, met een inscriptie uit Memoir.
*
In de in 2012 verschenen vertaling van John Williams’ Stoner is een voorwoord van John McGahern uit 2003 opgenomen. Het grootste deel van die inleiding is een tamelijk conventionele samenvatting en voorzichtige duiding van het verhaal. Pas op de laatste twee bladzijden wordt iets gezegd over de schrijver. McGahern merkt op dat de vier romans van John Williams niet alleen opmerkelijk zijn vanwege het verschil in stijl, maar ook vanwege de totaal verschillende achtergronden waartegen ze spelen. ‘Op de helderheid van de taal na lijken de romans niet op elkaar,’ noteert McGahern. ‘Ze zouden zo door vier verschillende schrijvers geschreven kunnen zijn.’ Om dan te wijzen op het feit dat Stoner van de vier de meest persoonlijke is, omdat het verhaal nauw aansluit bij het eigen leven en de eigen loopbaan van Williams, zonder dat het in enig opzicht autobiografisch is. Ter verduidelijking van deze positie wijst McGahern in zijn voorwoord op een interview van Williams, waarin de schrijver klaagt over de moderne houding ten opzichte van literaire teksten: ‘Het is alsof een roman of gedicht iets is om bestudeerd en begrepen te worden, in plaats van ervaren. Alsof literatuur een soort puzzel is.’ Een soort puzzel van het leven van de auteur. Terwijl de lezer een boek dus moet ervaren en niet herleiden. Een goed boek komt tot leven. Hiervoor gebruikt de schrijver soms gegevens of details uit zijn eigen leven omdat de schrijver dan zeker weet dat de details ‘kloppen’ en zo het verhaal tot leven wekken.

Ik loop er als schrijver elke keer weer tegenaan, de veelgestelde vraag: ‘Hoe autobiografisch is je boek?’ Het antwoord is: er zitten bijna altijd elementen in een boek die nauw aansluiten bij het leven en de loopbaan van de schrijver, maar die niet over de schrijver zélf gaan. Ze gaan namelijk over zichzelf. En als dat te veel als een zen-koan klinkt: de elementen in een boek hebben betrekking op de levens van de personages in het boek, niet op dat van de auteur, zelfs als die personages grotendeels bestaan uit de geschiedenis en het gevoelsleven van de auteur. Het boek gaat over wat de personages ervaren. Het boek gaat over hun levens. En als een boek nergens over gaat, maar iets ís, dan is het boek hún verhaal, niet dat van de auteur. Dat verhaal is net zo goed op het leven van de auteur te betrekken als op het leven van de lezer. En het tweede lijkt me voor de lezer interessanter.

 

*

Toen we voor de kerk in Aughawillan stonden, begon het te regenen. In de miezerige, grijze ochtend betraden we de begraafplaats. Het duurde even, maar toen vonden we de grote, lichtgrijze, marmeren grafsteen.

We keken naar het graf en de witte kiezelsteentjes op de grond. Reisgenoot P. keek opzij: zijn ogen vonden de mijne. Ik knikte en keek toen weer naar het marmer, peinzend over de levens van de schrijver en zijn moeder: 71 en 42 waren ze geworden.

Die jaren leefden ze, dacht ik. En ik kon er niets aan doen, maar vroeg mij af: waarom? Die clichématige oervraag spookte ongetwijfeld soms ook door hun hoofden en bleef waarschijnlijk verstoken van een groots antwoord. Maar zinloos waren hun levens niet, dat had McGahern mij getoond. Moeder en zoon hadden geprobeerd de hun gegeven tijd op basis van hun idealen vorm te geven. McGahern streed voor wat hij belangrijk vond. Net als Chris McCandless. Het is belangrijk om zulke helden te vinden. En om die te eren.

*

In Ballinamore – een dorp gelegen tussen Fenagh en Aughawillan en iets groter dan die twee buurtschappen, met een supermarkt en een benzinepomp – staat een bankje op het dorpsplein. Ik zat op dat bankje te wachten op P. en J., die naar de apotheek waren. Op de rugleuning stond een citaat uit Memoir: ‘The best of life is lived quietly, where nothing happens but our calm journey through the day, where change is imperceptible and the precious life is everything.’

Er ontbrak iets, wist ik, namelijk het begin: ‘I am sure it is from those days that I take the belief that…’ en dan volgt ‘the best of life…’ Met ‘those days’ bedoelde McGahern de zeldzame dagen uit zijn jeugd zonder drama, de dagen die een eiland van rust waren in een kolkende zee van gedoe met een mishandelende vader en een zieke moeder. En hij heeft gelijk: de beste dagen zijn de dagen waarop het wrede ongeluk ons niet vindt en we onder de zon mogen reizen, als een rivier in het landschap, en we alle tijd krijgen die we nodig hebben. Waarop verandering ons niet vernietigt, maar van een andere soort is: langzaam, gewenst, versterkend.

John McGahern geloofde in de kleine, dagelijkse strijd, in de zoektocht naar een waardige manier om in deze wereld te leven, en streefde er in zijn werk naar om de goede woorden te vinden, het juiste verhaal. Soms deed hij dit door de strijd aan te gaan met grote instituten: het is geen toeval dat That They May Face The Rising Sun, de titel van zijn laatste roman, verwijst naar de weigering van de Ierse plattelandsbevolking hun doden met de voeten naar de kerk te begraven. Liever begroeven ze hen met hun voeten naar het oosten, zodat ze de zon konden zien opkomen. Twee wereldbeelden botsten. Vaker ging McGahern in zijn werk de strijd aan met kleinere instituties die gedurende het leven van invloed waren: met vaders en moeders, zonen en dochters, scholen en overheden. Van hem is de uitspraak dat niemand in de republiek Ierland woont, maar dat iedereen in een veel kleinere republiek leeft, gemeenschappen met hun eigen wetten en gebruiken, waarvan de familie de kleinste is, en de belangrijkste. Het grootste geluk dat de mens verkrijgt, komt voort uit het vinden van een juiste verhouding tot deze gemeenschappen, en uit het vinden van een eigen plek daar, tijdens die korte reis door de tijd van zijn leven. En vaak komt het vinden van deze plek weer voort uit het nemen van een andere route dan die hem is getoond. Hij stelt dat iedereen uniek is, maar ook dat eenieder de moed moet hebben die unieke persoon te worden. En individualiteit kan niet worden geleefd in het verhaal van iemand anders, enkel in een eigen wereld.

McGaherns boeken zijn zulke (openbare) zoektochten naar een eigen wereld.

Wie John McGahern zoekt, kan hem vinden in Aughawillan, co. Leitrim, Ierland. Tenminste, daar vind je zijn naam gebeiteld in een steen, opgericht in een bed van grind. In de buurt van zijn graf zijn elementen uit zijn leven te vinden: de poort van zijn geboortehuis, zijn moeders school en het huis waar hij tot aan zijn dood woonde. Wie meer over zijn leven wil weten, kan Memoir lezen. Wie dan nog wil weten wat deze schrijver van de wereld vond, kan in zijn boeken terecht.

*

In het ziekenhuis keek ik aan het einde van mijn verblijf de film Into the Wild, die Sean Penn in 2007 maakte, de verfilming van Jon Krakauers boek. Penn leverde een verhaal af met een uitgesproken stijl (voice-overs om het verhaal te ordenen, documentaireachtige scènes waarbij de hoofdrolspelers direct in de camera praten), met een strakke structuur (het verhaal krijgt een narratieve boog door aan het begin het einde weg te geven, en het is opgedeeld in hoofdstukken met veelzeggende titels als ‘My Own Birth’ en ‘Manhood’). Maar bovenal toont de film een eigen visie, een wereldbeeld: het is misschien duidelijk wat een goed materieel leven is, een goede opleiding, een goede baan, een eigen huis, een grote auto en fijne vakanties, veel vermogen hebben dus, maar het is veel minder duidelijk wat een geestelijk goed leven behelst. De familie van Chris McCandless, bijvoorbeeld, had naar buiten toe een heel goed leven, maar hoe ging het er achter de voordeur aan toe? Veiligheid, geborgenheid, vertrouwen, geestelijke verdieping en emotionele nabijheid: al die voorwaarden voor een gelukkig gezinsleven ontbraken, buiten McCandless’ schuld om. McCandless moest vervolgens zelf op zoek naar deze waarden. Hij deed dat in zijn boeken, en tijdens zijn reis.

In grote letters schreef ik in mijn dagboekje: ‘Into the Wild gezien. Weer gehuild.’ De ontroering bij het bekijken van Into the Wild kwam niet alleen door de onnodige dood van Chris McCandless, noch doordat mijn ouders mij (afzonderlijk van elkaar) door onze getroebleerde relatie slechts één keer in het ziekenhuis hadden bezocht. Ik huilde vooral omdat McCandless de moed had gehad zijn eigen verhaal te zoeken, en ik huilde om de tijd, liefde en aandacht die Jon Krakauer en Sean Penn in het vertellen van dat verhaal hadden gestopt, in een poging zijn dood minder zinloos te maken door zijn verhaal onderdeel van andere verhalen te laten zijn. Ze hadden McCandless’ Memoir gemaakt.

Krakauer en Penn tonen de wereld van de Amerikaanse suburb en de wildernis van Alaska, verbinden die twee landschappen zowel met elkaar als met de ziel van hun hoofdpersoon. Ze volgen de jonge man die op zoek gaat naar antwoorden op de onuitgesproken diepste levensvragen. Ze continueren zijn zoektocht naar schoonheid in een onverschillige natuur en naar werkelijk waardevolle alternatieven voor de holle verhalen over liefde, geluk en gratie die bemiddelde mannen in groene buitenwijken elkaar vertellen. De wildernis in strijdt zo tegen wat Camus ooit ‘de minzame onverschilligheid van het universum’ noemde en tegen de terreur van clichéverhalen om die nalatigheid te bezweren; bijvoorbeeld het idee dat geld het enige van waarde is in deze wereld en gelukkig maakt. Niet voor niets geeft McCandless aan het begin van zijn reis al zijn spaargeld weg voordat hij op zoek gaat naar zijn eigen verhaal. Hij doet dat in de natuur en in nieuwe, oprechte, menselijke verhoudingen waarin geld en de verwachtingen van de omgeving geen grote rol spelen.

Daar, in het Universitair Medisch Centrum Groningen, bleken mijn twaalfjarige zelf en huidige zelf het eens over de betekenis van De wildernis in: de mens is een vreemdeling in deze wereld. Hij is voor de natuur onbelangrijk, onbeduidend. Hij leeft in de begoochelingen die hij zichzelf vertelt. En voor hij het weet, is zijn leven voorbij. Een zinloos einde als antwoord op een zinloos leven: dat is de verschrikkelijke waarheid van Christopher McCandless’ dood in Alaska. Dit dacht ik zowel drie als bijna twintig jaar geleden en ik denk het nog steeds, maar ik geloof ook in het hoopvolle aspect van het verhaal van Krakauer en Penn, in de inhoud van het verhaal van McCandless (en McGahern): het is mogelijk in de korte tijd die je is gegeven een verhaal van je leven te maken, een ander verhaal dan je is meegegeven, en jezelf te vinden.

De wildernis in