Introductie

Wij zijn van elkaar

Wij zijn van elkaar

Simon Vestdijk, Henriette van Eyk

Henriëtte van Eyk en Simon Vestdijk, die in de bloei van hun schrijversleven een geheime verhouding hadden, wisselden zo’n vijfhonderd brieven met elkaar. Wim Hazeu ontdekte tijdens zijn onderzoek voor de Vestdijkbiografie dat hun briefwisseling tot de indringendste bekentenisliteratuur van na de oorlog behoort. In Wij zijn van elkaar zijn de brieven uit de eerste,...Lees meer

Over dit boek

Aantal pagina's344
UitvoeringGebonden

Henriëtte van Eyk (1897-1980) kwam uit een welgesteld bankiersmilieu. In haar boek De kleine parade parodieerde zij de betere kringen uit haar jeugd. Haar oeuvre beslaat een twintigtal verhalenbundels en romans. In 1937 ontving zij de C.W. van der Hoogtprijs. Haar verhouding met de schrijver S. Vestdijk staat centraal in de door Wim Hazeu bezorgde...

Henriette van Eyk

Simon Vestdijk (1898-1971) studeerde in Amsterdam geneeskunde en werkte als arts en scheepsarts. Ter Braak verleende hem de veelzeggende bijnaam ‘de duivelskunstenaar’: er zijn weinig auteurs in ons taalgebied die op zo veel gebieden thuis zijn als Simon Vestdijk. Niet alleen beslaan zijn verzamelde gedichten drie dikke delen poëzie, ook schreef hij vele essays, novellen...

Simon Vestdijk

Samenvatting

Henriëtte van Eyk en Simon Vestdijk, die in de bloei van hun schrijversleven een geheime verhouding hadden, wisselden zo’n vijfhonderd brieven met elkaar. Wim Hazeu ontdekte tijdens zijn onderzoek voor de Vestdijkbiografie dat hun briefwisseling tot de indringendste bekentenisliteratuur van na de oorlog behoort. In Wij zijn van elkaar zijn de brieven uit de eerste, turbulente jaren gebundeld. In die periode schreef Vestdijk de romans De redding van Fré Bolderhey (opgedragen aan Van Eyk), Bevrijdingsfeest en De overnachting, en de grote studie Het wezen van de angst. Zijn correspondentie met Henriëtte van Eyk laat zich lezen als de wordingsgeschiedenis van die boeken, als een kroniek van de eerste naoorlogse jaren, maar vooral als het verslag van een hartstochtelijke liefde. Op 31 maart 1946 schrijft Vestdijk: ‘Dit zijn de grote momenten van mijn leven, de momenten waarop bewezen wordt, dat ik nog niet hlemáal verdoemd ben.’