Introductie

© Harry Cock

Marcel Möring

Marcel Möring (1957) schreef de romans Mendels erfenis (1991, Geertjan Lubberhuizenprijs), Het grote verlangen (1992, AKO Literatuurprijs), In Babylon (1997, Gouden Uil Literatuurprijs), Dis (2006, F. Bordewijkprijs 2007 en de longlist van de Libris Literatuur Prijs en AKO Literatuurprijs), Louteringsberg (2011) en Eden (2017). De roman Dis, zijn eerste bij De Bezige Bij, gaat over...Lees meer

Biografie

Marcel Möring (1957) schreef de romans Mendels erfenis (1991, Geertjan Lubberhuizenprijs), Het grote verlangen (1992, AKO Literatuurprijs), In Babylon (1997, Gouden Uil Literatuurprijs), Dis (2006, F. Bordewijkprijs 2007 en de longlist van de Libris Literatuur Prijs en AKO Literatuurprijs), Louteringsberg (2011) en Eden (2017).

De roman Dis, zijn eerste bij De Bezige Bij, gaat over Jakob Noach, tijdens de Tweede Wereldoorlog ternauwernood ontsnapt aan de Duitsers, die zich in de jaren vijftig als schoenmaker vestigt in Assen. Het is een rijke en avontuurlijke roman die verwijst naar literatuur, filosofie en historie; veelomvattend en eigentijds. In 2011 verscheen de roman Louteringsberg. De dochter van Marcus Kolpa verlaat het huis waar ze twintig jaar samen woonden. Als zijn moeder overlijdt komen een voor een de spoken uit zijn verleden tevoorschijn. Deze zoektocht naar een familiegeschiedenis haalt hem uit zijn jarenlange isolement. Elsevier over deze roman: 'Vol dreigend onheil, vol mooie, gebeeldhouwde zinnen.' Eden vormt het slotstuk van deze trilogie. In deze grootse roman weet Möring twee uiteenlopende verhaalwerelden op meesterlijke wijze met elkaar te verbinden.
Möring publiceerde ook verhalen en novellen die werden gebundeld in Bederf is de weg van alle vlees en andere novellen (2007). De novelle Modelvliegen (2000) werd genomineerd voor de Impac Dublin Literary Award, het verhaal ‘East Bergholt’ won de Aga Kahn Prize van The Paris Review (2000). Februari 2013 verschijnt East Bergholt, de novelle van Marcel Möring met tekeningen van Sam Drukker. Mörings werk is vertaald in vijftien talen.

Nieuws over deze auteur

  • Marcel Möring in gesprek met Maarten Asscher bij SPUI25

    Marcel Möring gaat bij SPUI25 in gesprek met Maarten Asscher over het afgelopen jaar, dat voor hem in het teken stond van het verschijnen van zijn nieuwe roman Eden. Een bespiegelend gesprek om 2017 af te sluiten, over zijn nieuwe roman en de DIS-trilogie.

    Meer06.12.2017

Kolkende Taal met Marcel Möring

In het programma Kolkende Taal was op zondag 30 oktober 2016 in de Bibliotheek Assen Marcel Möring te gast. Presentatrice Diana de Groot sprak met hem en de andere gasten over hun leven, werk en over de boeken die een rol in hun leven spelen

Bron: RTV Drenthe

Marcel Möring over 'Eden'

Op 5 januari is Eden verschenen. In deze avontuurlijke roman toont Marcel Möring zich de grootse moralist en krachtige verhalenverteller die hij boven alles is. De Bezige Bij zocht hem op in het Drents Museum te Assen, waar hij een ruimte heeft omgetoverd tot zijn inspirerende werkkamer. U kunt de tentoonstelling ‘Zelfportret van een schrijver’ nog tot en met 25 juni 2017 bezoeken.
In deze drie filmpjes vertelt Marcel Möring u over de wereld van Eden.

Marcel Möring vertelt over 'Eden'

Bron: De Amsterdamse boekhandel

Bert Natter over de Dis-trilogie

So long lives this, and this gives life to thee

 

Onlangs schreef de Volkskrant: ‘Intellectueel doet het [kijken naar Netflix] volgens sommigen niet onder voor een geweldige roman die je ook niet kunt wegleggen.’

Iets langer geleden zei de Utrechtse hoogleraar letterkunde Geert Buelens: ‘Het zal voor een romanschrijver niet gemakkelijk zijn om even radicaal te zijn als Family Guy, even geraffineerd antropologisch en sociologisch als The Wire, even politiek en educatief als The West Wing, even “diep” als Six Feet Under.’

Schrijver Nina Polak beweert: ‘Maar ik hoor ook tot het kamp van gelovers die menen dat het beste tv-drama van tegenwoordig (of je dat nu kijkt op je tv, computer of tablet) zich kan meten met de beste literatuur.’

En de ondertitel van een essay van Manon Uphoff luidt: Waarom de beste literatuur op tv te zien is.

De béste literatuur? De beste literatuur zegt in een paar woorden meer dan een serie in een heel seizoen.

Het beste tv-drama versus de beste literatuur. Ik durf te wedden dat over vijftig jaar geen hond meer naar de 156 afleveringen The West Wing kijkt. Maar over vijfhonderd jaar worden de 154 sonnetten van Shakespeare nog steeds gelezen.

Wie televisiekijkt, kan geen boek lezen — dat snap ik ook wel. De enige manier waarop series concurreren met romans is in de aandacht van het publiek. Series kunnen behoorlijk goed zijn, maar het blijven series. Het gaat niet om kwaliteit. Een frikandel kan ook kwaliteit hebben. Het gaat om zeggingskracht.

Als er een winnaar moet worden aangewezen, dan de schrijver die uit woorden een wereld schept, woorden die iedereen de hele dag gebruikt, maar die in een roman iets onthullen over de mensen.

Series voeden zich met de angsten, obsessies en verlangens van het publiek en de reikwijdte wordt bepaald door het budget; romans wortelen in de angsten, obsessies, en verlangens van de maker en de reikwijdte wordt bepaald door diens beperkingen en mogelijkheden.

Wat ik mis in series, is maar één ding: een auteur die de strijd aangaat met zijn beperkingen en mogelijkheden.

 

In 2006 kreeg ik van Géa Thuis, de betreurde vertegenwoordiger van de Bij, een vooruitboekje van Dis dat de uitgeverij destijds verspreidde onder de pers en boekhandelaren. Naast een heel goed interview met Marcel Möring uit Bunker Hill stond er een deel van het eerste hoofdstuk van Dis in.

Ik heb het ademloos gelezen, die regels over een man die fietst en fietst en fietst. En ik besloot: dit is het beste proza dat ik ken.

Ik woonde toen recht tegenover boekhandel Den Boer in Baarn, dus op de dag dat Dis verscheen hoefde ik alleen naar de overkant te lopen om het te kopen.

Opnieuw werd ik door die opening betoverd, een ander woord is er niet. Dat hoofdstuk bleek veel langer te zijn en eigenlijk in zijn eentje al een hele roman te vormen, een proza-explosie zonder weerga, die wordt gevolgd door een tweede hoofdstuk dat doodleuk met een ouderwetse Natureingang begint.

 

Met betrekking tot het oeuvre van Möring wordt vaak gesproken over de ideeën die het werk bevat en over de constructie van het geheel en dan lijkt het of mensen denken dat als de structuur eenmaal is bepaald het een kwestie wordt van invullen.

Zo werkt het niet. Ik vermoed dat het narratief wordt gestuurd door de stem van personages en dat die stem louter tot klinken kan worden gebracht door stijl.

In het interview met Bunker Hill verklaarde Möring dat hij als kind al ontdekte dat ‘het boek een wereld is die leeft zolang je dat boek leest’.

De schrijver van zo’n boek moet ondergaan wat een personage meemaakt, waarneemt, denkt en voelt. Horatius gaf de dichter al de goede raad: wil je dat ik huil, huil dan eerst zelf.

Bij vlagen ís de schrijver zijn personage, of misschien zelfs: de schrijver is het boek. Dat klinkt esoterischer dan ik het bedoel, ik bedoel het heel nuchter.

Het ondergaan van personages door de auteur zorgt voor een essentieel verschil met televisieseries die zijn gebaseerd op het manipuleren van de kijker en waarbij kennis in feite het belangrijkste personage is, want alles draait om het achterhouden en doseren van informatie met het doel spanning te creëren.

In literatuur draait alles om mensen. Neerlandicus J.A. Dautzenberg wist dat zelfs HAVO-leerlingen diets te maken in zijn leerboek: ‘Een roman bestaat in principe uit handelingen, en die worden verricht door mensen. In lectuur staan die handelingen centraal en zijn de personen slechts middelen om de handelingen te verrichten. In literatuur is het precies andersom: de handelingen dienen om te laten zien hoe de mensen zijn.’

 

Terug naar de opening van Dis. Jakob Noach heeft zich jaren als een mol onder de grond schuilgehouden in een gat in het veen en komt naar buiten en al doet hij zelf geen verslag van wat volgt, de verteller vereenzelvigt zich zozeer met deze man dat hij als het ware even op stoom moet komen voor hij weer volledige zinnen kan uiten.

En op de cadans van de malende trappers van de fiets die Noach heeft gestolen om naar Assen te komen wordt zijn verhaal verteld, waarbij de koortsachtige en bezeten stijl, opgebouwd uit even hortende en stotende als muzikale zinnen, samenvalt met de beschrijving van de mens die als een alien door het bevrijde Nederland snelt. Hij fietst en fietst en fietst. De Duitsers zijn vertrokken, de collaborateurs houden zich schuil, de niet-joden vieren feest, maar Noach was alleen en blijft alleen. Een jood had niets te vieren na de bevrijding. Ik wist wel dat het zo was, maar ik besefte het pas ten volle toen ik Dis las.

Ik denk dat je alleen zo kunt schrijven als je daadwerkelijk ondergaat wat je verzint en geen veilige afstand houdt: nee, je moet Jakob Noach durven zijn.

Het is iets wat makkelijk over het hoofd wordt gezien bij een ambitieuze en vernuftige roman, laat staan bij een trilogie: wat gaat onder deze machtige intellectuele constructie schuil?

Möring verklapte het zelf in Bunker Hill: ‘Ik wil weten hoe het is om een mens te zijn.’

Voor mij is zijn werk daarom in essentie ternauwernood in de hand gehouden emotie.

Toen ik dacht dat dit stuk klaar was, herlas ik Mörings essay over de roman, getiteld De hele wereld, en wat trof ik daar aan: een jeugdherinnering waarin de aanstormende schrijver, voor een tijdje van zijn ouders gescheiden, beseft: ‘De hele wereld is leeg en verlaten en ik fiets en fiets en fiets…’

Literatuur onthult en tegelijk verhult literatuur. Schrijven is onbekend gebied betreden en in kaart brengen; een voortdurende strijd tussen intuïtie en ratio, tussen angst en bravoure, op zoek naar de diepste waarheden, misschien zonder ze te vinden, of zonder in de gaten te hebben dat je ze vindt; je stuit even vaak op diamant als op drek.

Dat lukt alleen als je een personage, al dan niet op de fiets, vooruit stuurt om de weg te verkennen.

Zoals Möring moet je schrijven en anders kun je er beter mee ophouden en lekker naar een televisieserie gaan zitten kijken en geloven dat wat je ziet zich kan meten met de beste literatuur.

Alleen de beste literatuur kan zich meten met de beste literatuur.

En

So long lives this, and this gives life to thee

 

 

Onlangs schreef de Volkskrant: ‘Intellectueel doet het [kijken naar Netflix] volgens sommigen niet onder voor een geweldige roman die je ook niet kunt wegleggen.’

Iets langer geleden zei de Utrechtse hoogleraar letterkunde Geert Buelens: ‘Het zal voor een romanschrijver niet gemakkelijk zijn om even radicaal te zijn als Family Guy, even geraffineerd antropologisch en sociologisch als The Wire, even politiek en educatief als The West Wing, even “diep” als Six Feet Under.’

Schrijver Nina Polak beweert: ‘Maar ik hoor ook tot het kamp van gelovers die menen dat het beste tv-drama van tegenwoordig (of je dat nu kijkt op je tv, computer of tablet) zich kan meten met de beste literatuur.’

En de ondertitel van een essay van Manon Uphoff luidt: Waarom de beste literatuur op tv te zien is.

De béste literatuur? De beste literatuur zegt in een paar woorden meer dan een serie in een heel seizoen.

Het beste tv-drama versus de beste literatuur. Ik durf te wedden dat over vijftig jaar geen hond meer naar de 156 afleveringen The West Wing kijkt. Maar over vijfhonderd jaar worden de 154 sonnetten van Shakespeare nog steeds gelezen.

Wie televisiekijkt, kan geen boek lezen — dat snap ik ook wel. De enige manier waarop series concurreren met romans is in de aandacht van het publiek. Series kunnen behoorlijk goed zijn, maar het blijven series. Het gaat niet om kwaliteit. Een frikandel kan ook kwaliteit hebben. Het gaat om zeggingskracht.

Als er een winnaar moet worden aangewezen, dan de schrijver die uit woorden een wereld schept, woorden die iedereen de hele dag gebruikt, maar die in een roman iets onthullen over de mensen.

Series voeden zich met de angsten, obsessies en verlangens van het publiek en de reikwijdte wordt bepaald door het budget; romans wortelen in de angsten, obsessies, en verlangens van de maker en de reikwijdte wordt bepaald door diens beperkingen en mogelijkheden.

Wat ik mis in series, is maar één ding: een auteur die de strijd aangaat met zijn beperkingen en mogelijkheden.

 

In 2006 kreeg ik van Géa Thuis, de betreurde vertegenwoordiger van de Bij, een vooruitboekje van Dis dat de uitgeverij destijds verspreidde onder de pers en boekhandelaren. Naast een heel goed interview met Marcel Möring uit Bunker Hill stond er een deel van het eerste hoofdstuk van Dis in.

Ik heb het ademloos gelezen, die regels over een man die fietst en fietst en fietst. En ik besloot: dit is het beste proza dat ik ken.

Ik woonde toen recht tegenover boekhandel Den Boer in Baarn, dus op de dag dat Dis verscheen hoefde ik alleen naar de overkant te lopen om het te kopen.

Opnieuw werd ik door die opening betoverd, een ander woord is er niet. Dat hoofdstuk bleek veel langer te zijn en eigenlijk in zijn eentje al een hele roman te vormen, een proza-explosie zonder weerga, die wordt gevolgd door een tweede hoofdstuk dat doodleuk met een ouderwetse Natureingang begint.

 

Met betrekking tot het oeuvre van Möring wordt vaak gesproken over de ideeën die het werk bevat en over de constructie van het geheel en dan lijkt het of mensen denken dat als de structuur eenmaal is bepaald het een kwestie wordt van invullen.

Zo werkt het niet. Ik vermoed dat het narratief wordt gestuurd door de stem van personages en dat die stem louter tot klinken kan worden gebracht door stijl.

In het interview met Bunker Hill verklaarde Möring dat hij als kind al ontdekte dat ‘het boek een wereld is die leeft zolang je dat boek leest’.

De schrijver van zo’n boek moet ondergaan wat een personage meemaakt, waarneemt, denkt en voelt. Horatius gaf de dichter al de goede raad: wil je dat ik huil, huil dan eerst zelf.

Bij vlagen ís de schrijver zijn personage, of misschien zelfs: de schrijver is het boek. Dat klinkt esoterischer dan ik het bedoel, ik bedoel het heel nuchter.

Het ondergaan van personages door de auteur zorgt voor een essentieel verschil met televisieseries die zijn gebaseerd op het manipuleren van de kijker en waarbij kennis in feite het belangrijkste personage is, want alles draait om het achterhouden en doseren van informatie met het doel spanning te creëren.

In literatuur draait alles om mensen. Neerlandicus J.A. Dautzenberg wist dat zelfs HAVO-leerlingen diets te maken in zijn leerboek: ‘Een roman bestaat in principe uit handelingen, en die worden verricht door mensen. In lectuur staan die handelingen centraal en zijn de personen slechts middelen om de handelingen te verrichten. In literatuur is het precies andersom: de handelingen dienen om te laten zien hoe de mensen zijn.’

 

Terug naar de opening van Dis. Jakob Noach heeft zich jaren als een mol onder de grond schuilgehouden in een gat in het veen en komt naar buiten en al doet hij zelf geen verslag van wat volgt, de verteller vereenzelvigt zich zozeer met deze man dat hij als het ware even op stoom moet komen voor hij weer volledige zinnen kan uiten.

En op de cadans van de malende trappers van de fiets die Noach heeft gestolen om naar Assen te komen wordt zijn verhaal verteld, waarbij de koortsachtige en bezeten stijl, opgebouwd uit even hortende en stotende als muzikale zinnen, samenvalt met de beschrijving van de mens die als een alien door het bevrijde Nederland snelt. Hij fietst en fietst en fietst. De Duitsers zijn vertrokken, de collaborateurs houden zich schuil, de niet-joden vieren feest, maar Noach was alleen en blijft alleen. Een jood had niets te vieren na de bevrijding. Ik wist wel dat het zo was, maar ik besefte het pas ten volle toen ik Dis las.

Ik denk dat je alleen zo kunt schrijven als je daadwerkelijk ondergaat wat je verzint en geen veilige afstand houdt: nee, je moet Jakob Noach durven zijn.

Het is iets wat makkelijk over het hoofd wordt gezien bij een ambitieuze en vernuftige roman, laat staan bij een trilogie: wat gaat onder deze machtige intellectuele constructie schuil?

Möring verklapte het zelf in Bunker Hill: ‘Ik wil weten hoe het is om een mens te zijn.’

Voor mij is zijn werk daarom in essentie ternauwernood in de hand gehouden emotie.

Toen ik dacht dat dit stuk klaar was, herlas ik Mörings essay over de roman, getiteld De hele wereld, en wat trof ik daar aan: een jeugdherinnering waarin de aanstormende schrijver, voor een tijdje van zijn ouders gescheiden, beseft: ‘De hele wereld is leeg en verlaten en ik fiets en fiets en fiets…’

Literatuur onthult en tegelijk verhult literatuur. Schrijven is onbekend gebied betreden en in kaart brengen; een voortdurende strijd tussen intuïtie en ratio, tussen angst en bravoure, op zoek naar de diepste waarheden, misschien zonder ze te vinden, of zonder in de gaten te hebben dat je ze vindt; je stuit even vaak op diamant als op drek.

Dat lukt alleen als je een personage, al dan niet op de fiets, vooruit stuurt om de weg te verkennen.

Zoals Möring moet je schrijven en anders kun je er beter mee ophouden en lekker naar een televisieserie gaan zitten kijken en geloven dat wat je ziet zich kan meten met de beste literatuur.

Alleen de beste literatuur kan zich meten met de beste literatuur.

En de Dis-trilogie behoort zonder meer tot die categorie.

 

Bert Natter

behoort zonder meer tot die categorie.

 

Bert Natter