Introductie

© Eddy Posthuma de Boer

Gerard Reve

Gerard Reve (1923) groeide op in de wijk Betondorp in de Watergraafsmeer. Na een niet voltooide opleiding aan het gymnasium bezocht hij tot 1943 de Grafische School in Amsterdam. In 1948 trouwde hij met Hanny Michaelis, een huwelijk dat tot 1956 zou duren. Gedeeltelijk samenvallend met die jaren was de periode dat Reve in Londen...Lees meer

Biografie

Gerard Reve (1923) groeide op in de wijk Betondorp in de Watergraafsmeer. Na een niet voltooide opleiding aan het gymnasium bezocht hij tot 1943 de Grafische School in Amsterdam. In 1948 trouwde hij met Hanny Michaelis, een huwelijk dat tot 1956 zou duren. Gedeeltelijk samenvallend met die jaren was de periode dat Reve in Londen woonde, van 1952 tot 1957. Hij volgde cursussen toneelschrijven en werkte als verpleger. Terug in Nederland ging hij in Amsterdam samenwonen met Wilhelm Johann Schuhmacher, die in zijn werk figureert als Wimie. In 1962 bezocht Reve een schrijversconferentie in Edinburgh die van groot belang zou zijn voor zijn ontwikkeling als schrijver. In 1964 verhuisde Reve naar het Friese Greonterp. In de daaropvolgende jaren was hij bevriend met Teigetje en Woelrat (Willem Bruno van Albada en Henk van Manen). Na een korte periode in Veenendaal gewoond te hebben, vestigde Reve zich in 1974 in Frankrijk waar hij vanaf 1975 samenwoonde met Joop Schafthuizen, die ook de zakelijke belangen van de auteur behartigt. In later jaren verbleven Reve en Schafthuizen afwisselend in Frankrijk en in Nederland, in Schafthuizens woonplaats Schiedam. In 1993 vestigden zij zich in het Belgische Machelen. In 1974 werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau waarna in 1993, op zijn zeventigste verjaardag, een bevordering volgde tot Officier in de Orde van Oranje Nassau. Ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag werd tevens een tentoonstelling over zijn leven en werk samengesteld die gedurende drie jaar in Nederlandse bibliotheken te zien was. In 2001 werd zijn gehele oeuvre bekroond met de Grote Prijs der Nederlandse Letteren. Na een periode waarin zijn geestelijke gezondheid door de ziekte van Alzheimer langzaam achteruitging, overleed Gerard Reve op 8 april 2006. Zijn invloed op de Nederlandse literatuur is immens geweest.

Gerard (toen nog Simon van het) Reve publiceerde op 1 november 1947 de roman die nog steeds geldt als een van de grote klassiekers uit de Nederlandse literatuur: De Avonden (dat aanvankelijk als ondertitel ‘Een winterverhaal’ meekreeg). Het boek beschrijft de laatste tien dagen van het jaar 1946 vanuit de beleving van de bij zijn ouders wonende Fris van Egters. Ook nu nog heeft dit relaas van een kleinburgerlijk, benauwend bestaan niets van zijn zeggingskracht verloren. Reve schreef het boek in een zakelijke, registrerende stijl waarin de kleinste details uitvoerig uit de doeken gedaan worden. Het plechtstatige taalgebruik van Frits van Egters zorgt daarbij voor komische effecten.

Diezelfde techniek, door Reve wel ‘noteren zonder te interpreteren’ genoemd, is terug te vinden in Werther Nieland (1949) en in het in 1946 in een tijdschrift verschenen De ondergang van de familie Boslowits. In beide novellen komt de belevingswereld van een kind tegenover de wereld van de volwassenen te staan. De elfjarige Elmer in Werther Nieland krijgt geen grip op de werkelijkheid die hem omringt. Hij vermoedt dat er een verband bestaat tussen allerlei afzonderlijke gebeurtenissen, maar omdat hij nog onvoldoende begrip van de wereld heeft, neemt dat verband in zijn beleving de proporties van iets geheims en toverachtigs aan. Een van de dingen die hij niet begrijpt, is het ongewone gedrag van Werther Nielands moeder. Om zich teweer te stellen tegen het onbegrepene, houdt hij zich bezig met het oprichten van geheime clubs en eigen rituelen zoals het doden van dieren.

Na deze vroege werken en een periode waarin hij allerlei genres en andere mogelijkheden uit lijkt te proberen, draagt Reve’s reis naar Edinburgh in 1962 bij tot zijn keuze voor de brief als een voor hem bij uitstek geschikt genre. In 1963 verscheen het eerste van Reve’s vele brievenboeken: Op Weg Naar Het Einde, in 1966 gevolgd door Nader Tot U. Op het persoonlijke vlak heeft Reve dan al een ingrijpende ontwikkeling doorgemaakt: tijdens het verblijf in Engeland en Schotland komt hij, aldus Reve-kenner Jos Paardekooper, ‘tot de conclusie dat hij altijd voor God op de vlucht is geweest’. Op zijn bekering tot het christendom volgt in 1966 zijn toetreden tot de katholieke kerk. In de eerste helft van de jaren zestig begint hij ook in het reine te komen met zijn (homo)seksuele fantasieën waarin religie, dood en erotiek sterk met elkaar verbonden zijn. Duidelijkheid over deze persoonlijke ontwikkeling bieden de Brieven aan Wimie uit deze periode, in 1980 gepubliceerd, en de Brieven aan Josine M. (geschreven tussen 1959 en 1975) die in 1981 werden uitgebracht en waarvan in 1994 een aanzienlijk uitgebreide heruitgave verscheen.

Romans met een sterk autobiografisch karakter waarin Reve teruggrijpt op zijn verleden zijn Oud en Eenzaam uit 1978 (waarin zijn verblijf in Londen en de communistische jeugdkampen die hij als kind bezocht een belangrijke rol spelen) en Moeder en Zoon uit 1980. Deze laatste roman is het relaas van zijn ontwikkelingsgang tot het katholicisme en van zijn liefde voor de minnaar die als ‘Matroos Vos’ in zijn werk een plaats krijgt. Seksuele fantasieën (over mooie jongetjes die niet zelden pijn moeten lijden) en religie (waarbij met name de verering voor Maria – ‘De koningin der levenden’ en de ‘Moeder van de dood’ - een belangrijke rol speelt) worden de bepalende thema’s in de romans en brieven in Reve’s werk in de jaren zeventig: De Taal der Liefde, Lieve Jongens en Ik Had Hem Lief. De kale zakelijke manier van schrijven uit het vroege werk is in deze boeken vervangen door een stijl vol tegenstellingen: pathetisch en plechtig tegenover triviaal, plat en spottend. De ‘droomjongen’ waarvan in Reve’s werk zo vaak sprake is, keert ook terug in later werk zoals De Stille Vriend (1984).

In 1996 verscheen de reeds zo lang in het vooruitzicht gestelde roman Het Boek Van Violet En Dood. De rode draad in de roman is het overlijden na een verkeersongeluk van de 27-jarige zoon van de buurvrouw van de schrijver in Frankrijk. Tijdens de begrafenis van het slachtoffer dwalen de gedachten van de verteller-schrijver voortdurend af. Hij denkt aan andere jongens en mannen rond wie hij erotische fantasieën heeft gesponnen, maar die de dood inmiddels tot zich heeft genomen. Verder mijmert hij over de troost die het katholieke geloof biedt en tussen de bedrijven door vereffent hij, vaak zeer komisch, nog een aantal rekeningen.

Persoon en werk van Reve hebben regelmatig aanleiding gegeven tot grotere en kleinere rellen. Zo moest de auteur in 1966 (het jaar van zijn toetreding tot de rooms-katholieke kerk) voor de rechtbank in Amsterdam verschijnen na een aanklacht wegens godslastering. Deze had betrekking op een passage in zijn boek Nader Tot U waarin Reve een seksuele fantasie beschrijft over het hebben van gemeenschap met een als ezel geïncarneerde God. In 1969 baarde Reve opzien door bij de uitreiking van de hem toegekende P.C. Hooft-prijs minister Marga Klompé die hem de prijs overhandigde, te kussen. In die tijd was een dergelijke omgang met bewindspersonen ongebruikelijk. Tot enig rumoer leidde ook de weigering van de CPNB om het door Reve als Boekenweekgeschenk geschreven De Vierde Man te accepteren. Het rumoer ten spijt is Reve de nodige officiële erkenning ten deel gevallen. In 1974 werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau waarna in 1993, op zijn zeventigste verjaardag, een bevordering volgde tot Officier in de Orde van Oranje Nassau. Ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag werd tevens een tentoonstelling over zijn leven en werk samengesteld die gedurende drie jaar in Nederlandse bibliotheken te zien was. In 2001 werd zijn gehele oeuvre bekroond met de Grote Prijs der Nederlandse Letteren.